6 Film interviews (Dagblad Het Binnenhof/Persunie, HC)
Bert
Jansma - biografische notities
Bert
Jansma (18.09.1942) wilde acteur worden, maar zei al tijdens
het eerste jaar Toneelschool (Amsterdam) de opleiding uit
eigen beweging vaarwel. Erik Vos vroeg hem dramaturgisch
werk te komen doen (Nieuwe Komedie/Toneelgroep Arena), een
'halve baan'die hem in staat stelde Nederlands MO te studeren.
Inmiddels had hij het literaire jongerenblad Fase opgericht,
dat later met het blad Trans zou fuseren tot Contour/Kontoer
bij uitgeverij A.W.Sijthoff waar hij ook deel uitmaakte
van de redactie van de literaire Aurea-reeks.
Al sinds de Toneelschool publiceerde hij gedichten, vertalingen
en eigen werk, eerst in de jongerenbundel Vermoeden van
Tijd (Meulenhoff, 1962), daarna in bladen als Ontmoeting,
Raam, Kroniek van Kunst en Kultuur, Samenspel. Naast poëzie
zou hij ook toneel gaan vertalen: Fantasio van Alfred de
Musset (voor Lou Landré, toen nog toneelschoolleerling),
veel later voor de Haagse Comedie uit het Tsjechisch: Pavel
Kohouts 'Brand in het sousterrain' en 'Colas Breugnon'.
In opdracht van Zdenek Kraus, regisseur van beide stukken,
vertaalde hij een serie hoorspelen uit het Tsjechisch, en
schreef hij een nieuwe Masque voor de opvoering van Shakespeare's
Maat voor Maat bij de KVS, Antwerpen.
Geen brood mee te verdienen, al die literatuur, vandaar
o.m. banen als leraar Nederlands, assistent-redacteur van
de Oosthoeks Encyclopedie (beeldende kunst, letteren). De
liefde voor film kon Jansma kwijt als publicity manager
van Universal Pictures (drie jaar), waar hij ook de vertaling
(ondertiteling) van tientallen films verzorgde, tot de befaamde
Haagse filmcriticus Otto Milo hem vroeg om op de kunstredactie
van Dagblad Het Binnenhof in Den Haag te komen werken (1972).
Sindsdien was het de kunst-journalistiek en die is nooit
meer weggegaan uit zijn bestaan. Kort ( negen maanden) bij
het Algemeen Dagblad, bij de voortreffelijke Ruud Kuyper,
daarna weer Het Binnenhof en verder bij de Haagsche Courant
onder Frans Happel en Coos Versteeg.
Ondanks vele interviews en reportages met schrijvers (o.a.
in samenwerking met boekenuitgever Elsevier), was zijn opdracht
bij de krant in de eerste plaats film en toneel, interviews
en recensies. De jazz kwam daar al gauw bij toen bleek dat
er eigenlijk niemand was die daar over schreef. En vooral
door het North Sea Jazz Festival werd de krant zich destijds
bewust dat jazz méér was dan alleen maar een
privé-liefhebberijtje van meneer Jansma en kon hij
steeds aan grote bijlagen rond het festival werken.
Hij maakte jarenlang deel uit van de jury die de Bird Awards
Nederland toekende, schreef voor enkele jazzmusici 'liner
notes' voor hun cd's en verzorgde/verzorgt een gesproken
column voor het jazzprogramma van Michael Varekamp op Radio
West..
Sinds 1 oktober 2005 is Bert Jansma de Vut 'ingegaan', maar
van stil zitten zal het voorlopig niet komen. Getuige deze
site.
SCHOONHEIDSFOUTJES
- door
Bert Jansma
Dit
is de week van de schoonheidsfoutjes.
Om met gisteravond te beginnen.
Toen vierde de Dutch Swing College band zijn jubileum in
de Anton Philipszaal.
Helemaal vol die zaal. En terecht.
Meest opvallend in dat jubileumconcert is de komst van de
drie B's uit de dixielandhistorie elders in Europa.
Mr Acker Bilk, die van het bolhoedje vroeger, Kenny Ball
van de Jazzmen en trombonist Arne Jensen, beter bekend als
Papa Bue. Van de Viking Jazz band.
De man die een Europese hit had met zijn versie van Mozarts
Schlafe mein Prinzchen schlaf ein.
De Dutch Swing verwelkomde hem ermee op het toneel van de
Philipszaal gisteren.
Maar of Papa Bue dat gemerkt heeft is de vraag.
Hij had waarschijnlijk te lang aan de bar moeten wachten
op zijn optreden, want veel noten bleek hij niet op zijn
zang te hebben.
Hij zeeg neer op een stoel, achter de rug van leider Bob
Kaper.
Af en toe leek het of hij daar in z'n eentje een stoomboot
zat te imiteren, soms kreeg je de indruk dat hij met zijn
Prinzchen in slaap gevallen was.
Het orkest zelf was hem dan ook al hélemaal vergeten
na het bedanken en de bloemen.
Dus zat Papa Bue daar nog in z'n eentje.
Wanneer hij opkrabbelt wordt hij opeens de volle zaal gewaar
die nog bezig is met de rest van de staande ovatie voor
de mannen van de Dutch Swing.
Wat áárdig, denkt Papa Bue en schuifelt naar
de microfoon.
Aáááh, denkt het publiek. Dát
wordt wat.
Ja, dat werd het.
Want Papa Bue zette het op zingen. Met het lied 'Why are
you born so beautiful'. Maar dan in een eigen variant die
hier niet door de keuring komt.
Zachte pogingen van jazzgek en hulp in de jazzhuishouding
Jan van Gelder om Papa mee te tronen lukken niet.
Dus keerde het orkest nog maar eens terug voor een extra
toegift. Als dekmantel om Papa Bue wat minder opvallend
af te voeren.
Schoonheidsfoutje.
Dat
andere schoonheidfoutje deze week, is tragischer en niemand
kan het helpen.
Afgelopen dinsdag presenteerde het North Sea Jazz Festival
het programma voor het dertigste festival en het laatste
- hoort u de onderdrukte snik? - dat in Den Haag zal plaatsvinden.
In het programmaschema van vrijdag 8 juni, de eerste festivaldag,
staat een opvallende naam.
Die van trompettist Benny
Bailey.
In de Carel Willinkzaal zal hij optreden met pianist Rob
van Bavel en drummer John
Engels.
En dat kan dus niet.
Want Benny Bailey is overleden.
De North Sea organisatie kan helemaal niks doen aan dat
schoonheidsfoutje, want de dood heeft zijn eigen deadline,
maar tragisch is het wel.
Vooral ook door de rare omstandigheden van Benny Bailey's
dood.
Het bericht bereikt de kranten op 30 april.
Tekst: de sociale dienst van Amsterdam maakt bekend dat
Benny Bailey is gestorven.
Etcetera.
En dan de sterfdatum.
14 april.
Hoe zit dat, vroeg iedereen zich af.
Heeft Bailey dan al die tijd dood thuis gelegen?
Nee,
dat niet.
Maar bizar is het wel.
Want Bailey - die ooit in Europa achterbleef nadat hij hier
met de band van Lionel Hampton optrad - was weliswaar 79
maar nog altijd actief vanuit zijn Amsterdamse woning waar
hij alleen leefde.
Hij is er nog gebeld, was toen al overleden, er is op het
antwoord-apparaat ingesproken. Maar wie hem niet aan de
lijn kreeg dacht: o, hij is naar Zweden, waar hij vaak speelde
en waar hij twee dochters had.
Of hij is elders.
Nee dus.
De buren vonden hem. Blijkbaar geen jazzgekken, want niemand
wist iets van familie of kennissen of andere contacten.
Dus kwamen politie en sociale dienst in actie.
Er was geen sprake van een misdrijf, dus het lichaam van
de 'onbekende' Bailey ging de koelcel van het mortuarium
in.
En na een tijdje wordt er dan een advertentie gezet in een
grote krant.
En toen kwamen de reacties pas.
Want Bailey had de volgende dag nog een optreden in jazzclub
De Tor, in Enschede.
Alsnog werd er rondgebeld, zijn zuster in Amerika werd bereikt
en de door de sociale dienst geregelde begrafenis werd uitgesteld
om haar en andere familieleden in staat te stellen aanwezig
te zijn.
Die
begrafenis was uiteindelijk op tien mei.
Op de dag van de persconferentie van het North Sea Jazz
festival.
Waar hij dus zou optreden.
Tragische bijkomstigheid.
Elders
in het North Sea programma zit nog zo'n tragisch addertje
onder het gras.
Kijk bij Oscar Peterson op zondag 10 juli.
Kijk wie hem begeleidt op bas.
T.b.a. staat daar.
To be announced.
Want kortgeleden overleed de vaste bassist van Peterson.
Niels-Henning Orsted Pedersen.
In een week waarin nota bene nóg twee andere jazzbassisten
van wereldfaam overlijden:
Percy Heath, ooit van het Modern Jazz Quartet.
En Jimmy Woode.
Vreemde
samenloop.
Laten
we 't maar de 'schoonheidsfoutjes' van het leven noemen.
EEN
ROOKGORDIJN
- door
Bert Jansma
Stelt
u zich een Parijse kelderkroeg voor anno 1947.
Het is er rokerig, er wordt jazz gespeeld.
In een hoek zit chansonnière Juliette Gréco
met een man. Verderop zit schrijver Jean-Paul Sartre druk
te oreren.
Sigaret in de mond. Of is het toch een pijp. Het is door
de rook die er hangt nauwelijks te zien.
Een beeld uit de dagen van het existentialisme.
Sartre heeft dan al gezegd dat 'de hel de anderen' zijn
en dat roken voor hem het symbolische equivalent is van
het 'zich op een destructieve manier de wereld toe-eigenen'.
En Sartre kon het weten.
Hij was een kettingroker.
Inmiddels wordt in Frankrijk het honderdste geboortejaar
van de schrijver en filosoof gevierd. En dat wordt kracht
bij gezet door een affiche van de Bibliothèque Nationale.
Met zijn portret.
Zonder pijp. Zonder sigaret.
En dat vinden een hoop Fransen erg vreemd, want ze kennen
Sartre niet anders dan mét.
Het dagblad Libération gaat het uitzoeken en ontdekt
dat de foto in 1948 gemaakt is en dat op het origineel wel
degelijk sprake is van een sigaret en tabakswalm. De Nationale
Bibliotheek blijkt die weggeretoucheerd te hebben. Omdat
anders sponsors voor de feestelijke Sartre-tentoonstelling
zouden afhaken. Bovendien, zegt de baas van de bieb unverfroren,
is er die wet uit 1991 die tabaksreclame verbiedt.
Sartre als posthume pusher.
Dus ontdeed de grafische afdeling van de bibliotheek Jean
Paul van zijn tabakswalmen.
Nou ja!.
Dat is toch al te gek?
Je kan om zo'n knullige zaak natuurlijk grijnzen, maar het
is óók een stuk ordinaire geschiedvervalsing.
Zoals de communisten Trotski op de foto's naast Lenin weg-retoucheerden.
Stel je voor dat zulke rookloze ingrepen gemeengoed gaan
worden.
Dan kan je de halve kunstwereld overboord mikken.
In de Koninklijke Schouwburg was vorig seizoen een Franse
opvoering van Molière's Dom Juan te zien.
En die begint met knecht Sganarelle die op de rand van het
toneel een komische lofrede houdt op de tabak.
Sganarelle stelt dat wie níet rookt toch écht
niet tot de verstandigen gerekend mag worden.
Daar schort iets aan in de bovenkamer.
In Molière's tekst gaat het nog om een snuifdoos
met tabak, maar de regisseur van de Comédie Francaise
had Sganarelle een flinke pijp in de mond gegeven. Zodat
hij grote rookwolken de schouwburg binnenblies. Waar overigens
niet gerookt mag worden.
Kijk, dat kan straks dus écht niet meer.
Molière moet verboden worden.
Op de middelbare school was er een leuke zeventiende eeuwse
dichter in de letterkunde-bloemlezing, genaamd Willem van
Focquenbrock.
Dat was tenminste een man aan wiens werk je plezier kan
hebben. Hij had een toneelstuk geschreven dat De Min in
't Lazarushuis heette en dat in de wandeling De Min kwam
Lazarus thuis genoemd werd. Maar ook een komisch-filosofisch
sonnet met de titel Spes mea fumus est.
Mijn hoop is rook.
Met de mooie beginregels:
Wijl ik dus zit en smook een pijpjen aan den haard,
Met een bedrukt gelaat en d'oogen naar den aard'.
Wat?
Smoken?
Een pijpje?
Wég ermee. Uit de bloemlezingen vandaan halen, dat
ding.
Sluikreclame, jeugdverpesterij, schande.
En wat dacht u van die mooie Franse films waarin Jean Gabin
regelmatig een saffie uit de mondhoek heeft hangen?
Verbieden.
Of al die Amerikaanse films met Humphrey Bogart die met
sigaret en al zijn hard boiled-teksten lispelt.
Nooit meer vertonen die films.
Of de net zijn tachtigste verjaardag vierende acteur Kees
Brusse, die bij elke eerste close-up, om zich vooral goed
en rustig in beeld te zetten, omzichtig een sigaret opstak.
Character acting
Fout!
En je moet er niet aan denken wat er van de jazzgeschiedenis
overblijft als de heren van het Gezonde Verstand dáár
aan het retoucheren slaan.
Kortgeleden zag ik nog een van de weinige filmopnames van
Charlie Parker.
Hij zit er op een soort muurtje met zijn altsax.
En een sigaretje.
Als hij zijn solo gespeeld heeft, neemt hij een trekje en
kijkt met een beetje opgetrokken wenkbrauwen naar Coleman
Hawkins die zijn partij naast hem blaast.
Prachtig beeld.
Maar - verkeerd.
Ik weet best dat Parker meer dingen fout deed dan alleen
dat sigaretje roken, en ik ben de laatste om te zeggen dat
nicotine, drugs en all that jazz de gezondheid stimuleren,
maar je kan ze niet wegvlakken.
Dan mag je niet naar Relaxing at Camarillo luisteren, omdat
dat ging over de inrichting waarin Parker aan het afkicken
was.
Dan moet je Art Peppers tragisch-meeslepende boek 'Straight
life' over zijn niet-zo-straighte leven, maar helemáál
van alle boekenplanken in de wereld verwijderen.
Of illegaal verklaren.
Jazz en de sigaret hebben een soort verbond.
Vanuit de barrel houses en flophouses uit de oertijd van
die muziek.
En wie weet dienen we straks ook alle teksten op die muziek
rookvrij te maken.
Want wat heeft die dame uit Duke Ellingtons 'Satin doll'
eigenlijk in haar hand?
Juist, een cigarette holder.
Neeneenee.
Daar maken we als de wiedeweerga maar een toilettasje van.
En wat dacht u van het gouden oude Smoke gets in your eyes.
Ook die rook moet ab-so-luut verdwijnen.
Daar moet iets anders voor in de plaats.
Ik heb een suggestie: tranen.
Van het huilen óf van het lachen.
U mag het zeggen.
VREEMD
FRUIT - door
Bert Jansma
Deze
keer gaat het over een cd.
En niet eens een echte jazz-cd.
Of eigenlijk gaat het over een man.
En over een song.
We
beginnen bij die cd.
Hij is net uit en heet: 'Billy Crystal presents the Milt
Gabler story'.
Twee schijfjes. Een geluids-cd, en een DVD-schijfje.
Billy Crystal, denkt u? Is dat niet? Jawel, Billy Crystal,
de acteur en komiek.
Hij maakte voor die cd een keus uit het werk van zijn Oom
Milt.
Want Uncle Milt was platenproducer.
Nee, wérd platenproducer.
Want in het New Yorkse ijzerwarenwinkeltje van opa Julius
Gabler begon zoon Milt eerst als hobby een platenhoekje.
Met jazzplaten.
Met een luidspreker boven de ingang om voorbijgangers te
trekken.
Dat winkeltje werd uiteindelijk de legendarische Commodore
Music Shop.
En Milt Gabler begon een platenlabel.
Grote maatschappijen namen destijds jazz op en borgen daarna
de masters weg.
Er werd niet meer naar omgekeken., behalve als je er geld
voor over had.
Milt Gabler had dat en kocht rechten van oude jazzuitgaven.
Voor zijn Commodore-platenlabel.
Zijn
winkeltje was al gauw een centrumpje voor jazzliefhebbers,
waar iedereen binnenkwam.
Louis Armstrong, Ellington, Lester Young.
En
Gabler bleef jazzplaten produceren.
Eddie Condon, Wild Bill Davison, Lionel Hampton, Billy Holiday,
the Andrew Sisters.
Gabler had zoveel succes dat hij werd benaderd door het
Decca-label, daar vice-president werd en er de ene hit na
de andere produceerde.
Van jazz tot swing en commercieler werk.
Het staat allemaal op die cd van zijn neefje Crystal.
Sammy Davis' eerste hit 'Hey there'.
Nat King Cole's L.O.V.E. Love (tekst van Gabler)
Ella Fitzgeralds 'How high the moon'.
Louis Jordans 'Choochoo Ch' Boogie'.
Gabler stierf op z'n negentigste in 2001.
Dat
was de cd. Dat was de man.
Een flamboyante, self made New Yorker van Oostenrijks-joodse
afkomst wie het op z'n negentigste nog speet dat hij nooit
de big band van Benny Goodman had kunnen opnemen.
Komen
we bij de song.
En bij de vrouw die als Lady Day in de geschiedenisboeken
van de jazz staat.
Billie Holiday dus. In 1939 had Billie Holiday een song
die haar platenmaatschappij Columbia met geen vinger wilde
aanraken.
Titel: 'Strange fruit'.
Een song over het lynchen van een zwarte Amerikanen in het
zuiden van de Verenigde Staten.
Eerste regels:
'Southern trees bear a strange fruit
Blood on the leave and blood at the root'
Milt Gabler kende Billie Holiday, had haar in de Band Box
zien optreden.
Gabler besloot 'Strange fruit' wél uit te brengen.
Het
is die daad die hem een standbeeldje in de muziekgeschiedenis
had mogen opleveren.
Want wie deed zoiets?
Muziekbusiness moest geld opleveren, amusement bieden.
En dan zo'n gruwelijk onderwerp uit het recente eigen verleden
als song?
Gabler zag er het belang van in en nam het op.
Een historische daad.
Time
Magazine koos de song 'Strange fruit' begin 2000 als De
Song van de toen voorbije eeuw.
Als schrijver van de tekst van die song staat geboekstaafd
ene Lewis Allan.
Nóóit van gehoord.
Lewis Allan bestond ook niet.
Dat was een pseudoniem.
Niet van een zwarte protestdichter, wat sommigen destijds
dachten.
Maar van een New Yorkse joodse schoolmeester in de Bronx.
Genaamd Abel Meeropol.
Meeropol was een politiek-linkse activist. En hij schreef
gedichten en muziek.
Onder die naam Lewis Allan.
Politieke songs, met titels als 'The Chamberlain Crawl'.
En: 'Is there a red under your bed'.
Hoewel
mensen als Ira Gershwin, Kurt Weill en zelfs schrijver Thomas
Mann hem kenden, bleef hij onbekend bij het grote publiek.
Van zijn verdere werk is 'The house I live in' - over verdraagzaamheid
en door Frank Sinatra gezongen - bekend geworden. Hij schreef
de tekst.
En die voor 'Apples, peaches and cherries', dat Peggy Lee
ooit opnam.
Van
'Strange fruit' verwachtte Meeropol helemaal niets. Hij
had er niet eens copyright voor laten vastleggen.
Toen zijn song op de plaat kwam, met op de achterkant 'Fine
and mellow' (geheel toegeschreven aan Billie Holiday, maar
tekst van Milt Gabler), en heel links Amerika hem feliciteerde,
werd Meeropol alsnog wakker en schakelde een advocaat die
zijn royalties liet vastleggen.
Twee dollarcenten per verkochte plaat.
Een voor de woorden, een voor de muziek.
'Strange
fruit' bleef Meeropol achtervolgen.
De FBI ondervroeg hem en wilde weten hoeveel geld hij er
mee had verdiend (in 1941 twee dollar over een heel jaar).
En of hij misschien door de Communist Party betaald was
om het te schrijven.
Die royalties zouden later méér worden door
alle 'covers' van de song.
In de zestig jaar na het ontstaan in totaal 300.000 dollar
voor de erven Meeropol.
'Strange
fruit' zou ook Billie Holiday achtervolgen.
Enerzijds werd ze ermee geidentificeerd.
Als zij het song met de gardenia in het haar, ogen gesloten,
hoofd achterover, voelde haar publiek fysiek die stomp in
de maag, de pijn van de tekst.
Maar
ze had het er ook moeilijk mee.
In het New Yorkse Cafe Society werd ze zelfs aangevallen
door een zwarte vrouw uit het publiek.
Hysterisch en in tranen.
Don't you sing that song again. Don't you dare'.
Ze had Holiday horen zingen over 'burning flesh' en beelden
van een lynching uit haar jeugd die ze dacht kwijt te zijn,
waren teruggekomen.
Wat
eerder als protest hoogstens onder de huid van een hoop
blues zat, kwam in 'Strange fruit' naar het oppervlak.
De eerste zwarte protestsong.
Door Billie Holiday.
Door een linkse New Yorker.
En door die Milt Gabler.
Dat
we het maar niet vergeten.
Want ook dat is jazz.
LEESLES IN
JAZZ - door
Bert Jansma
Lezen
over jazz is soms net zo leuk als er naar luisteren.
Vooral als je in antikwariaten grasduint en oude boeken
over jazz tegenkomt. Soms heerlijk gedateerd, soms met een
bijna pijnlijke constatering die nog steeds voor de jazz
geldt.
Ook al is-ie bijna vijftig jaar oud.
Bij
Kretschmar op het Noordeinde vond ik een Duits boek over
jazz, Jatz zeggen ze daar, geloof ik.
Der Jazz, seine Ursprung und seine Entwicklung. Uit 1958.
Nou, het woordje gründlich had ervoor uitgevonden kunnen
zijn. Met een dikke zeventig voorbeelden van stukken, meest
blues.
En dan de bijgaande tekst!
Ik citeer: 'Vergleiche besonders den Schluss des Stückes,
wo die Freude der Neger durch einen unvermittelt einsetzenden,
extempore improvisierten Chorus eines bezaubernden Gitarren-Boogie
dargestellt wird'.
Dat is nog eens proza.
Negen
jaar eerder schreef de befaamde Willem Vogt in zijn Avro-bode
over het optreden van Louis Armstrong and his All Stars
in Nederland.
Let op:
"Wie niets van klanken begreep, was toch genoopt ze
een verheven verschrikking te vinden! Deze meesters bespeelden
hun instrumenten met een beklemmende vaardigheid. Razernij
van onbegrijpelijke voornaamheid en stijl. Ongehoorde moeilijkheden
van speeltechniek verduisterden tot nietigheden, in een
streng beheerste orgie".
Vogt
had niet echt iets met jazz, dat mag duidelijk zijn.
Criticus,
pianist en jazzpromotor Leonard Feather schreef een aantal
jaren later een boek over de be-bop, getiteld 'Inside Bebop'.
Daarin een paar fraaie uitspraken over die toen nieuwe muziek.
Van Jimmy Cannon: 'Bebop klinkt voor mij als een porceleinwinkel
in een aardbeving".
Orkestleider Tommy Dorsey zei: 'Bebop heeft de muziek twintig
jaar achteruit gezet'.
George Frazier vond: 'Het is ongelooflijk dat een volwassen
mens deze stuff kan produceren'.
En de Literaire Gazet van Moskou schreef; 'Bebop heeft net
zoveel met muziek te maken als amandelontsteking'.
Ik
vond die uitspraken in een in 1958 verschenen boek, getiteld
'6 over jazz'. Er hoorde een 45-toeren EP gramofoonplaat
bij, maar die bleek verdwenen uit mijn antikwarische exemplaar.
Als iemand me eraan kan helpen, houd ik me aanbevolen.
Maar dit terzijde.
Het
boek laat zes auteurs aan het woord in en er staan unieke
foto's in, gekke verhalen en tekeningen. Zoals van illustrator
Frits Müller die laat zien wat men onder het 'jammen'
zou kunnen verstaan.
Hij tekent drie jazzmuzikanten die elkaar, tussen de rondslingerende
instrumenten, met huishoudjam staan in te smeren.
Van interviewster Bibeb vond ik er een citaat over Rita
Reys uit Vrij Nederland: "Klein, slank, vibrerend als
een gespannen snaar. Ze staat bij de microfoon, de ogen
dicht, 't hoofd iets achterover en haar wat hese swingende
stem schiet uit naar onverwachte hoogten. Ebt dan golvend
terug. Het is of Rita nauwelijks meetelt, die stem volgt
z'n eigen weg en zingt en zingt - You'd be so nice to come
home to - puur erotisch, maar zonder de valse zwoelheid
die zo best wordt betaald, de weke viezigheid die de doorsnee-romantiek
tot achtergrond moet dienen'.
Kom
daar nog maar 's om, om zulke teksten.
Er
staan prachtige anecdotes in 6 over jazz.
In augustus 1955 blijkt wetenschappelijk te zijn vastgesteld
dat koeien niet van jazz houden. Dat gebeurt op een Duitse
boerderij waar hooggeleerde heren eenenveertig koeien alle
soorten van muziek laten horen.
De jazz brengt het er 't slechts af; van trompetsoli raken
de beesten overstuur.
Overigens blijken de koeien ook geen interesse te hebben
in walsen, bij een tango gaan ze loeien, alleen bij marsmuziek
loopt 't lekker. Maar ja, 't was Duits onderzoek anno 1955.
Of
een verhaal van bandleider Artie Shaw en toptrompettist
Roy Eldridge, ook wel 'Little jazz' genoemd. Shaw neemt
met z'n orkest 'Someone to watch over me' op.
Het gaat 58 keer mis. Eldridge schijnt het op z'n partituur
geturfd te hebben.
Iemand stelt dan wanhopig voor eerst maar in hemelsnaam
iets anders te spelen, maar Shaw reageert woedend. Iedereen
die het niet beviel kon oprotten.
Waarop Shaws stersolist Roy Eldridge z'n trompet pakt en
opstaat. 'Hééé', schreeuwt Artie Shaw,
'ik bedoel jou niet'.
Of het verhaal van bandleider Woody Herman die in z'n eentje,
een uur voor zijn optreden in een club in San Francisco
aankomt. 'Ík ben van de band', legt hij de portier
uit.
Maar die kijkt hem argwanend aan, en laat hem er niet door.
Woody Herman naar het loket, koopt een kaartje, en geeft
dat aan de portier. Die grijnst en zegt: 'Ja sorry hoor,
maar we kennen hier dat smoesje van ik-ben-van-de-muziek".
Nog een antikwarische greep, nu een boek van tien jaar later,
1967.
Over jazz, samengesteld door Ruud Kuyper die ook zes auteurs
aan het woord laat, onder wie Haagse Post-journalist Trino
Flothuis. Die schrijft:
"Jazz, zo weet iedere progressieve dominee te vertellen,
ontstond op de plantages van zuidelijk Noord-Amerika, waar
de neger zijn protest tegen de slavernij uitschreeuwde.
Het lijkt erop - gaat hij verder - dat de jazz, ondanks
die hang naar vrijheid, nooit uit zijn positie van knechtsschap
is gekomen. Jazzmuziek blijft qualitate qua het verongelijkte
protest van de éénling. Er is vrijwel altijd
'trouble in mind', de musicus is doorgaans de pineut.
Een jazzmusicus is als een tot levenlang veroordeelde die
af en toe een fles jenever ontvangt van de cipier, en dan
zijn melancholiek gepeins afwisselt met in roes geslaakte
vreugdekreten".
En
als ik zou iets lees, denk ik: er zít iets in.
Maar - - ik zet onmiddellijk Armstrong op.
Juist, om die vreugdekreten.
TINEKE
POSTMA
- door
Bert Jansma
'De klarinetten waren op, toen werd 't sax'
Een debuutcd 'First avenue' die van alle kanten geprezen
wordt, een jazzprijs, als enige Europese tussen Amerikaanse
collega's in Sisters in Jazz: het verhaal van Tineke Postma
(25), zondag te horen in Den Haag.
Het gebeurt niet zo vaak: een jonge vrouw van 25 maakt haar
debuut op cd als jazzsaxofoniste en krijgt de ene goede
recensie na de andere. Het is het verhaal van altsaxofoniste
Tineke Postma, net klaar met haar conservatoriumopleiding
in Amsterdam (cum laude) en inmiddels beprijsd met de Singer
Laren Jazz Award, tweede in de race om de Pim Jacobsprijs
en eerder genomineerd voor de Andersen Jazz Award.
In de begeleidende teksten van haar cd wordt ze bovendien
toegejuicht door niet geringe collega's als gitarist Jesse
van Ruller ('prachtige techniek en een heel mooi geluid'),
de Amerikaan Chris Potter ('ze zingt door haar instrument')
en drummer Terri Lyne Carrington ('een ongelooflijk cd-debuut').
Kan niet op, lijkt het.
Tineke Postma zelf is er broodje nuchter onder. Ze zit boven
in een oude school in Amsterdam- Zuid. "Ik ben het
nog niet zo gewend", zegt ze over de interviews die
ze de laatste tijd moet geven. Niet schuchter overigens,
maar gewoon zoals het is. En na afloop van het gesprek:
"Heb ik een beetje goede antwoorden gegeven?"
De stukken die Tineke Postma componeerde ('great composer'
vindt saxofonist Chris Potter) zitten verbazend goed in
elkaar. "Ik heb heel lang gedacht dat ik absoluut niet
kon componeren. Ik vond het een drama, kon niets afkrijgen,
had geen idee'n. Maar later pak je bepaalde stukjes weer
op, gaat schaven, en maakt ze toch af. Deze cd is het resultaat
van twee jaar aan die stukken zwoegen". Ze zegt het
met een klein relativerend lachje erachter aan. Zal ze trouwens
vaker doen.
Met saxofoon spelen begon ze op haar elfde. Het allereerste
begin was fluit en piano. "Eigenlijk is het begonnen
met het feit dat mijn opa klarinet speelde in het muziekkorps
van Heerenveen. Dat wilde ik ook wel. Maar toen ik daar
kwam waren de klarinetten op, want die huurde je bij het
korps. Er waren wel saxofoons. Daar kwam bij dat mijn vader
het eigenlijk wel een heel stoer instrument vond voor meisjes.
'Joh, moet je doen, saxofoon spelen, dat doet niemand."
De echte passie was er nog niet, en spelen in de harmonie
beviel maar matig. "Ik heb er noten leren lezen, maar
die muziek vond ik vreselijk. Lichte muziekliedjes op een
klassieke manier. Op een gegeven ogenblik speelde het orkest
samen met een popbandje, en dat vond ik leuk." Eerst
was er een vooropleiding in Zwolle. Althans bijna: "Daar
werd ik afgewezen. 'Tineke, je moet wel studeren', zeiden
ze. Ik heb echt moeten leren dat je hard moet werken om
iets onder de knie te krijgen."
Daarna werd 't het Groningse conservatorium en daarna Hilversum:
"Ik vond dat ik daar echt naar toe moest, waar mensen
als Ferdinand
Povel les geven." Ze won twee beurzen om vijf maanden
in New York verder te studeren bij grote collega's als Dave
Liebman, Dick Oatts en Chris Potter, woonde er op First
Avenue (vandaar de titel van haar eerste cd).
In 2002 won ze als eerste Nederlandse jazzmuzikante de Sisters
in Jazz Competition. "Een wereldwijde competitie voor
vrouwelijke jazzmuzikanten die aan een conservatorium studeren.
Je stuurt een bandje met vijf stukken op en dan selecteren
ze een vrouw op elk instrument. Ik was de enige Europese,
de rest van de meisjes waren Amerikaans. Terri Lyne Carrington
(de vrouw die bij Herbie Hancock drum speelt) heeft ons
bij de vorming van de Sisters in Jazz-band begeleid. We
hebben in Amerika gespeeld op het naar pianiste Mary Lou
Williams genoemde festival in Washington, heel grappig,
een vrouwen-jazzfestival. Daarna in New York bij de conferentie
van de International Association of Jazz educators (IAJE),
op Jazz Vienne in Frankrijk, op Umbria jazz in Perugia,
en op het North Sea Jazz-festival."
Ze herinnert zich het begin, de allereerste solo. "Dan
heb je nog het gevoel: hoe moet ik in godsnaam op dat liedje
soleren. En ik herinner me optredens dat ik helemaal niet
wist wat ik moest doen, oh, radeloos was ik. Ik zeg niet
dat ik er nu ben, maar het is nu goed, of minder goed. Nooit
meer dat vreselijke drama dat je denkt dat je er niks van
bakt. Je hebt je kennis, de vocabulaire die je hebt geleerd,
op school, of door te luisteren. Je weet hoe je dat moet
toepassen in je eigen systeem."
Popbandje
Tineke Postma speelt naast dat eigen jazzkwartet ook in
een popbandje, vormt een duo met haar vriend, gitarist Edoardo
Righini, in het kwintet van zangeres Anne Dekker, en af
en toe in big bands. "Het klinkt afgezaagd, maar ik
houd niet zo van hokjes in de muziek. Ik luister naar popmuziek,
soul, klassiek. Wat jazz betreft graag naar de oude meesters,
Cannonball Adderley, Charlie parker, Coltrane. Maar ook
naar mensen van wie ik les had, zoals Chris Potter en David
Liebman. Voor mij geldt dat 't me boeit als de 'spirit'
goed is, als iemand iets kan zeggen door middel van muziek.
Als ik 't gevoel heb van: naar jou zou ik wel een hele week
kunnen luisteren, dan zit 't goed, maakt niet uit wat. Ik
ben nu volop bezig met jazz. Maar stel nou dat iemand als
Erykah Badu of Sting iemand nodig heeft op sax en ik mag
dan spelen, dan doe ik dat ook met alle liefde."
Veel vrouwelijke jazzsaxofonistes zijn er niet, en dan vergeten
we Candy Dulfer maar even, want die speelt echt andere muziek.
Maar niemand heeft ooit raar opgekeken van die jonge blonde
Friese meid op de sax. "Nee, m'n vrienden kennen me
alleen maar met een sax en die vonden het eigenlijk wel
leuk. In Amerika is het gewoner dan hier. Maar ik weet dat
hier op het eerste jaar conservatorium nu acht meiden zitten
die jazz blazen. We zouden een hele big band sectie met
vrouwen kunnen vormen."
DE
LEGENDE VAN MASSEY HALL - door Bert Jansma
Soms
lijkt het of de jazz pas echt leeft als er iets niet goed
gaat.
Als er calamiteiten gebeuren, als er tegenwind is, als er
ongemakken zijn.
Dan pas waait in de jazz de stof op waarvan legendes gemaakt
worden.
Je beseft het als je de herinnering in duikt.
Dat moment dat de amateur-big band van Peter Guidi in het
kader van een Haags Schak-festival staat te spelen op het
Spuiplein. Zon, maar veel wind. De klanken waaien alle kanten
op.
En dan staat er opeens een piepjong saxofonistje voor de
band. Hij blaast alsof hij al jaren de grootste gigs doet.
En hèm waait de wind niet weg.
Hoe hij heette?
Joris Roelofs. Hij krijgt een prijs op dat plein als solist.
Waarschijnlijk z'n eerste. Inmiddels is Joris Roelofs een
geaccepteerd talent op de jazzpodia.
Dat wegwaaierige begin van die carrière heb je dan
toch maar meegemaakt.
Kleine legende.
Of
een van de eerste North Sea jazz-festivals. In een achteraf
zaaltje zal pianist Teddy Wilson spelen. Het oogt er somber,
stoelen zijn er niet, het publiek zit op de grond. Sfeer
ho maar.
En dan komt Teddy Wilson binnen. Door dezelfde ingang als
het publiek. Met een goedkoop plastic boodschappentasje
in z'n hand. Een hoop aanwezigen herkennen hem niet eens.
Wilson frommelt z'n plastic tas onder de vleugel en begint
te spelen.
Hoe het was?
Schitterend. Wilson krijgt een ovatie, bedankt, pakt z'n
plastic tasje op en verdwijnt zoals hij is gekomen. Geen
schijnwerper, geen aankondiger, geen hoempapa. Wie erbij
was krijgt er nu nog kippenvel van.
Schoonheid 'against all odds'.
De stof waar legendes uit groeien.
De
jazzgeschiedenis zit vol met die legendarische momenten.
Maar de allergrootste jazzlegende is die van Massey Hall,
15 mei 1953.
Een stel liefhebbers van de New Jazz Society in Toronto
wil wel eens de groten van de nieuwe stroming in de Amerikaanse
jazz, de bebop, in hun stad.
Ze gaan een weekeindje op stap naar New York en proberen
er sterren te strikken. Ze slapen drie dagen niet, zeulen
rond in Manhattan, Brooklyn en Queens.
Niemand te vinden.
Via onder anderen bassist Charles Mingus worden er uiteindelijk
afspraken gemaakt. En honoraria afgesproken.
Charlie Parker beloven ze 200 dollar. Dizzie Gillespie krijgt
er 450, pianist Bud Powell 500, drummer Max Roach en Mingus
ieder 150.
Een line up waar je nu nog van staat te wáátertanden.
Maar op 15 mei vindt er ook een bokswedstrijd plaats.
Zwaargewicht Rocky Marciano tegen titelhouder Jersey Joe
Walcott.
De tv zendt het concert uit. In Massey Hall zitten dus alleen
de hardcore jazzfanaten. Tweederde van de zaal is leeg.
De liefhebbende heren van de New Jazz Society in de problemen.
Ze bieden met de handen in het haar banden aan om het concert
op te nemen via de p.a.-installatie van de zaal.
Maar wat voor concert wacht ze?
Pianist Bud Powell komt net uit een psychiatrische kliniek,
heeft een begeleider meegekregen en ziet er mistig en nerveus
uit.
Charlie Parker heeft ergens in Toronto nog een plastic saxje
op de kop moeten tikken, want zijn eigen Selmer staat in
de lommerd in New York.
De normaal altijd betrouwbare Dizzie Gillespie is meer geinteresseerd
in de bokswedstrijd en duikt om de haverklap de coulissen
in om maar niets te missen. Op het toneel trekt hij voortdurend
gekke bekken tegen Mingus die er de pest in krijgt en dreigt
weg te lopen.
In de pauze neemt Charlie 'Bird' Parker een schuiver naar
de Silver Rail-kroeg aan de overkant waar hij snel een aantal
whiskey's naar binnen slaat.
En de verhalen gaan dat na het concert de bom barst.
Bird en Dizzie raken slaags.
Bird gaat die arme mannen van Jazz in Toronto te lijf.
Mingus heeft ruzie met iederéén.
Maar hij heeft wél de banden. Parker biedt ze nog
te koop aan aan Norman Granz van Verve - waar hij onder
contract staat. Voor honderdduizend dollar. Granz stinkt
er niet in.
Dus brengt Mingus ze uit op zijn eigen Debut-label.
Parker komt op de hoes als Charlie Chan, vanwege die contractuele
verplichting.
Charlie Chan, de naam van een populaire Chinese filmdetective.
Chan de voornaam van zijn vrouw.
Aangezien de bas nauwelijks te horen is door de krakkemikkige
opname-apparatuur en bassist Mingus - net in New York woonachtig
- al die bopstukken niet even goed kent, neemt hij in de
studio van Rudy van Gelder toch maar een nieuwe baspartij
op.
Beide versies zijn op cd verkrijgbaar. Met en zonder gerepareerde
baspartij.
Op dat Debut-label - nu in handen van Fantasy records- en
op het Franse Dreyfuss-label.
Wat moet je in hemelsnaam met zo'n concert, zou je denken.
Ruzie, een geestelijk labiele pianist, een saxofonist met
whiskey op en een plastic leeninstrument, een trompettist
die alleen maar aan boksen denkt en een bassist die niet
te horen is.
Ik zei het in het begin van deze column al.
De jazz lééft van de tegenslag.
Want dat concert Jazz at Massey Hall geldt inmiddels als
legendarisch.
The greatest jazz concert ever.
Het is maar dat u het weet.
Koester dus de kleine concertjes.
Koester die onbekende gastjes waarvan het líjkt dat
ze klungelen.
En ga nóóit naar een bokswedstrijd als er
een jazzconcert is.
U zou wel eens de geboorte van een Legende kunnen missen.
ZWAAIVADERS
- door Bert Jansma
Ooit
gehoord van de Slinger Vaders, ook wel de Zwaai Vaders genoemd?
Nee?
Dan kent u natuurlijk ook niet de beroemde jazzklassieker
getiteld Ramp in de Zoutmanstraat.
Of een andere klassieker: Mijn blauwe jas.
Of het beroemde: Fiets fiets foetsie.
En dan vraag ik u al helemaal niet naar die andere wereldbekende,
duizenden malen gespeelde song: La tristesse de Saint Louis.
Om maar bij het laatste lied te beginnen, zo heette in onder
andere Franstalig België de St. Louis blues.
De Zwaai Vaders was een band die oorspronkelijk de Swing
Papa's heette. De Ramp in de Zoutmanstraat was de Haagse
vertaling van South Rampart Street Parade.
Mijn blauwe jas, was Jazz me blues.
En Fiets fiets foetsie was de zeer toepasselijke vernederlandsing
van Flat floot floogie.
Want de namen stammen uit de Tweede Wereldoorlog waarvan
het einde volgende week vijfig jaar achter ons ligt.
En tijdens die oorlog werd de jazz een heuse vijand van
de Duitse overheerser en het nationaal-socialistische gedachtengoed.
Raar woord trouwens hier, dat gedachtengóed. Gedachtenslecht
is beter. Maar dat woord bestaat niet.
Jazz
was Feindmusik. Helemaal toen, na Pearl Harbor, Amerika
ging deelnemen aan die wereldoorlog.
Want jazz wás Amerikaans, wás schwarze Musik
en daarom ook een vloek voor de zogenaamde Ariërs van
het Nationaal-socialisme.
Er zijn een paar voortreffelijke boeken over de muziek van
die tijd. Ten eerste Ongewenschte muziek van Kees Wouters.
En wat Duitsland zelf betreft, het boek Different drummers
van Michael H.Kater.
De laatste vertelt het verhaal van de Swing Kids, later
verfilmd met Kenneth Branagh en Barbara Hershey in de hoofdrollen.
De Swings was een grote groep jongeren in Hamburg en omstreken
die zich in eerste instantie niets van Nazi-waarschuwingen
aantrokken en bleven dansen op swing-muziek.
In 1941 speelde het Nederlandse swing orkest van John Kristel
er. Kristel trad op er in het Alsterpaviljoen, werd dé
held van de swings en tegelijkertijd de Rattenvanger van
Hamburg.
"De
sfeer in het Alsterpaviljoen in 1941 was groots", herinnerde
een Duitse Swinger van destijds zich. "Wat er gebeurde
was ongelooflijk. John Kristels band had een fantastische
trompettist. En wanneer die opstond om z'n solo's te blazen,
werd de zaal bijna afgebroken".
De Gestapo kreeg er weet van, Kristel en z'n mensen werden
opgesloten in een kelder en door een achterdeur naar buiten
gesluisd met de opdracht nooit meer terug te komen. Een
deel van het Duitse Swing-publiek werd gearresteerd.
Dat
was Duitsland, waar een aantal Nederlands orkesten nog lang
werk zouden hebben omdat alle Duitse muzikanten in het leger
zaten.
In Nederland ging het geleidelijk. Eerst het werkverbod
voor joodse musici, en dat waren er, ook in de jazz, veel.
Wat er met de meesten gebeurde, weten we inmiddels.
Dit gaat niet over hen, maar over de jazz en de belachelijke
manier waarop geprobeerd werd die onmogelijk te maken.
Ene W.H.A. van Steensel van der Aa was hier een willig instrument
in de handen van de mannen van het propaganda-minsterie.
Onder het pseudoniem Will G. Gilbert had hij zich voor de
oorlog al opgeworpen als vrije tijdsmusicoloog en jazzkenner,
in de oorlog werd hij de ideoloog van de arische muziek.
Het
was niet genoeg dat Tiger Rag Katzenjammer ging heten.
En al zongen Nederlands orkestleiders hun Engelse of Amerikaans
liedjes in het Duits, ze deden dat dan helaas met zo'n zwaar
'Amerikanisches Akzent' dat de zaal uit z'n bol ging.
Swingorkesten gingen zich opeens als Hawai-orkesten presenteren,
maar bleven wél swingen. Zoals de Maui-Eilanders
of de Samoa girls met Pia Beck op de ukulele.
Aan banden ermee.
'Deze
klanken", oreerde Gilbert, "die in het algemeen
jazzmuziek worden genoemd, zijn de muzikale uiting van een
volk, dat cultureel gedecideerd lager staat dan wijzelf,
weshalve een liefde voor deze muziek vélen als een
uiterst ongezond degeneratieverschijnsel voorkomt".
Er
waren er genoeg die hem bijvielen. Een Jeugdstorm-lid heeft
in 1942 Pi Scheffer en Boy Edgar gehoord in het Haagse Gebouw
voor Kunsten en Wetenschappen.
Hij schrijft: "Laat toch de Nederlandse jeugd niet
door dergelijke Amerikaansch-Joodsche invloeden verpest
worden. Het is werkelijk droevig aan te zien hoe frissche
Hollandsche jongens en meisjes, prachtmateriaal voor Jeugdstorm
en SS, zitten te wiebelen op negerklanken".
De
heer Gilbert zal vastleggen wát er dan allemaal beslist
níet mag in de amusementsmuziek.
Ik citeer:
ongedefinieerde, afzakkende eindtonen (growl-effecten);
labiele verglijdingen van halve tonen;
het gebruik van rubber dempers (plungers) ter verkrijging
van 'hot'-effecten;
het benutten van het trompetregister boven bes tweegestreept
- en van het klarinetregister boven d driegestreept;
het meer dan drie maal achtereen herhalen van éénzelfde
motief (lick) in de solistische improvisatie;
alsmede het meer dan 16 maal achtereen herhalen van een
lick in sektie-of ensemblewerk;
En:
het inschuiven van zinlooze syllaben of tusschenwerpsels,
evenals eindelooze woordherhalingen.
Gilbert bedoelde uiteraard het zogenaamde 'scatten'.
Het
is anno 2005 wel weer eens goed na te denken over de waan
en waanzin ervan.
En over de rol van jazz als verzetsmuziek.
Wat het eigenlijk nog altijd een beetje is.
En je kan anno 2005 blij zijn met de licks, the growls,
de glissando's, de hot-effecten, de plungers en al die 'zinloze
syllaben'.
En
laat ons in vrijheid alsjeblieft beseffen hoe heerlijk het
is - om te kunnen 'wiebelen op negerklanken'.
(Radio
West-column van eind april 2005)
HELDEN
OUDE STIJL - door Bert Jansma
Ze
waren Helden.
Dat móest wel, want ze stonden in een jongensboek
dat ik destijds fantastisch vond.
'Stampij om een schuiftrompet' heette het en naast de drie
jonge hoofdrolspelers - Bob Evers, Jan Prins en Arie Roos
- kwam daar opeens een stel muzikanten in voor.
Ergens op een station - herinner ik me vaag - ontmoet het
avontuurlijke drietal Peter Schilperoort.
Hij moet met zijn orkest als de wiedeweerga elders een andere
band vervangen. En de verwikkelingen zijn niet van de lucht.
Ik smulde.
Ik herinner me alleen vaag iets over de trombone van Wim
Kolstee waarmee Bob Evers in een trein tegenover een Duitser
zit: Gib' mal her die Posaune' zegt de man.
Jazzmuzikanten in een jongensboek!
Dat was nog iets anders dan Tom Erich of Pierre Palla op
de radio.
U
begrijpt 't: dit gaat over de Dutch Swing College Band die
vandaag precies zestig jaar geleden werd opgericht en op
5 mei 1945 het allereerste concert gaf op het Haagse Valkenbosplein.
Op woensdag 11 mei is hun jubileumconcert van het orkest
in de Anton Philipszaal. Met als gasten groten van de oude
stijlmuziek buiten Nederland. Mr Acker Bilk, Kenny Ball
en Papa Bue. Want de Swing College was ook voor hen een
heldenband waardoor ze zich lieten inspireren.
Ikzelf
kende ze als knulletje nog niet. Ik kende alleen dat boek,
'Stampij om een schuiftrompet' van schrijver Willy van der
Heide die een enorme serie Bob Evers-boeken schreef met
prachtige titels als 'Trammelant in Trinidad, 'Kloppartijen
in een koelhuis'.
In die boeken werd alsmaar cola gedronken, maar dat was
- bleek later - omdat Van der Heide voor elke naamsvermelding
een gratis kratje thuisbezorgd kreeg. Tot Coca Cola er genoeg
van had en schrijver Van der Heide overging op de London
Tonic.
Hij switchte nogal gemakkelijk trouwens. Hij schreef meisjesboeken
onder de naam Sylvia Sillevis, beantwoordde als Joke Raviera
lezersbrieven in het sexblad Candy en als Willem Waterman
reed hij in WOII een heel rare schaats met zijn satirische
blad De Gil, dat een soort dubbelrol in de Duitse propaganda
speelde. Na de oorlog mocht hij jarenlang zijn schrijversvak
niet uitoefenen. In die tijd bedacht hij de Bob Evers-serie.
Zijn connectie met de oude stijl-jazz bleek mij veel later
weer toen hij als rijk besnorde gast bij de Haagse Jazzclub
concerten bezocht en na afloop brullend de tafel met drank
presideerde.
Aan de Kaag werd hij buurman en vriend van de leider van
de Dutch Swing College, klarinettist Peter Schilperoort,
die hij 'Rattenvanger met fluit' noemde.
Tot zover Waterman, die hier alleen fungeert om aan te geven
hoe 'ín' de Dutch Swing was:
Toen Dutch Swing-trompettist Wybe Buma met zijn Pat trouwde
stonden de foto's over drie kolommen in de krant. De band
wandelde 'Oh when the Saints' spelend ooit Harry Rademakers'
bar aan het Gevers Deynootplein binnen om daar het huwelijk
van Paul en Jos Acket luister bij te zetten.
In Ackets blad Muziekexpress figureerden ze ook regelmatig.
Pianist Joop Schrier, bandleider toen ingenieur Peter Schilperoort
voor een paar jaar naar Fokker vertrok, mocht erin kwijt
dat zijn band - ná de door Bill Haley veroorzaakte
rock en roll-rellen - ook wel eens last van fans had.
Nou, zei Schrier, dat lossen we zo op: we spreken die belhamel
gewoon streng aan. Wil die meneer op rij drie op het balkon
daar nu mee ophouden!
Dan is 't gepiept.
Een oplossing Oude Stijl, zeg maar.
Muziek Express bracht ook kei- en keihard nieuws over de
Dutch Swing. Zoals de Onverbloemde Waarheid over het gezin
van bassist Bob van Oven dat - jawel - de ooievaar verwachtte.
Of het nog verbijsterender nieuwtje dat Peter Schilperoort
een Lelijke Val had gemaakt bij het optuigen van de Kerstboom.
Kijk, dát waren nog eens tijden.
Kom daar maar 's om in de hedendaagse jazzjournalistiek.
De
Dutch Swing heeft alle stormen overleefd.
Van dat liefhebbersclubje na de bevrijding en de concerten
toen waarvan banjoist Arie Ligthart zich de vele glazen
whisky's herinnerde die enthousiaste Canadese en Engelse
militairen de muzikanten aanboden. Achter het toneel werden
ze door mevrouw Ligthart in een fles gekieperd die vervolgens
elders duur verkocht werd.
Ligthart werd later niet voor niets zakelijk leider van
de DSC.
Verhalen te over. Die blonde reus die in Rio de la Plata
de hotelkamer van een DSC-lid binnenstormt. Hij komt uit
Urk, heeft van de dominee dispensatie gekregen op zondag
een concert van de Dutch in den vreemde te horen. Dus: Hier
ben ik.
Of gasttrompettist Billy Butterfield die met de band naar
een plaat zit te luisteren. 'Dat moet King Oliver zijn',
smult Butterfield. Nee Billy, zegt de band, dat is ons orkest.
'Onzin', zegt hij, 'dit is Oliver. En maak daar liever geen
grapjes over, want hij is héél belangrijk
voor me geweest en speelt hier fantastisch.'
Waar
of niet-waar?
Niemand weet 't meer.
De mythe-vorming heeft al lang toegeslagen
En dat betekent alleen maar dat je een instituut bent.
En dat is de Dutch Swing.
De poppetjes zijn veranderd. De muziek is hetzelfde gebleven.
Naar aanleiding van hun laatste tournee in Duitsland schrijft
journaliste Sandra-Isabel Knoblauch in haar Donaukurier
dat deze heren in - ik citeer letterlijk - 'Nadelstreifanzugen
mit hellblauer Krawatte' goed zijn voor 'Gourmet-happen
im Kommerzbrei der Musikwelt'.
En
wat klinkt dat Duits dan opeens héérlijk,
zestig jaar na dat Valkenbosplein.
(Radio
West-column t.g.v. het 60-jarig jubileum van de DSC)
TAFEL
EN BED
[In memoriam North Sea Jazz in the Hague] - door Bert Jansma
Het
is net als met een huwelijk van dertig jaar: je gaat echt
denken dat die vrouw van JOU is.
Zo is het met een jazzfestival waar je al dertig jaar lang
naar toe gaat: het is JOUW festival. Denk je.
En zo ging het met het North Sea Jazz Festival.
Ik heb er mee geleefd en geslapen, ik heb het als journalist
in de krant lieve woordjes toegefluisterd, ik heb het kwaad
toegesproken, ik heb het gekoesterd.
En nu gaat het weg uit Den Haag en zit ik hier voor de allerlaatste
keer aan de sponde van Lady Jazz in dit echtelijk huis,
het Nederlands Congres Centrum.
Het heeft iets van echtbreuk, overspel, scheiding van tafel
en bed.
In
de Haagse prehistorie toen er nog geen North Sea-festival
was, had ik niet veel met dit grote gebouw. Ik ging er voor
mijn werk toneelvoorstellingen zien in wat toen nog de Toneelzaal
heette. Van John Lantings Theater van de Lach tot en met
Italianen uit Sicilië die er een onverstaanbare Pirandello
speelden.
En die grote zaal was vele maten te groot voor wat er toen
aan muziek te horen was.
Pas toen Paul Acket zijn North Sea Jazz bedacht, ging dit
gebouw voor me leven.
Het werd veranderd, uitgebreid, en na een aantal jaren van
Ackets festival kon je er drie dagen lang jazz in alle hoeken
en gaten horen.
Je
hoeft na dertig jaar maar een willekeurige bladzij in je
herinnering op te slaan en er staat Jazz.
Gisteravond hoorde ik hier het Count Basie Orchestra. De
Count is er al lang niet meer, in 1984 overleden, maar ik
zie hem hier nog zitten, achter het toneel met mevrouw Basie.
De Count was jarig tijdens een tournee, en Paul Acket had
gezorgd voor een feestje.
Twee stoelen voor het echtpaar Basie, eromheen stoelen voor
de leden van de band, en een videoscherm. Waarop Acket uit
zijn eigen jazzcollectie de allereerste filmopnames van
de Count liet projecteren. En daar zie je die bejaarde bandleider
kijken naar beelden van zichzelf. Als een heel klein Countje,
dat toen nog geen adellijke titel had, maar gewoon Bill
heette, tien jaar oud was en de boogie woogie speelt.
Om nooit te vergeten.
Je
hoort het massale Hebaberiba wanneer de band van Lionel
Hampton weer eens spelend door de zaal trok bij een concert
dat door alle toegiften altijd anderhalf keer langer duurde
dan met de organisatie was afgesproken.
Je
ziet de schim van Paul Acket door al die zalen waren. Van
de een na de andere. Drie dagen lang. Kijkend of het goed
was. Of niet. Wát publiek trok, wat misschien de
volgende keer toch op een ander podium zou moeten staan.
Sigarettepijpje in de mond, want roken mocht nog, handen
op de rug.
En je ziet hem met de allereerste tijdschema's aankomen,
toen nog het betere fröbelwerk, door hem zelf in elkaar
gedraaid. Ik heb ze nog, die simpele velletjes, let op,
dat worden straks de Picasso's van de jazz.
Paul
Acket beklom de Olympus van de jazz en wat doen ze in Nederland
met de helden die er hun medailles verdienen? Die geven
ze een fiets.
Fanny Blankers Koen kreeg er ooit een. Paul Acket ook. Om
op de snelste manier van zijn festival naar zijn artiesten
in het Bel Air-hotel te fietsen en terug.
Je ziet jezelf zitten in een concert van Wynton Marsalis
en zijn orkest, die een heel oud muziekstuk uit de jazzhistorie
ophalen. Zóó móói.
Verderop in de rij in de zaal zit Fred Racké, wijlen
Fred Racké. Tijdens het ovationele applaus kijken
we elkaar aan. En ik zie dat bij Racké hetzelfde
gebeurt als bij mij.
De tranen lopen over onze wangen.
Je
was van mij, North Sea Jazz, van Den Haag, North Sea Jazz,
en nu ga je weg, North Sea Jazz.
En dat doet pijn.
Je gaat in Rotterdam een nieuw leven beginnen. Met een ander.
Den Haag slaapt drie dagen in juli voortaan moederziel alleen.
Maar als troost onder het hoofdkussen wél dat fantastische
familie-album van al die jaren van een heel - mooi - jazzhuwelijk.
(Radio
West-column uitgesproken tijdens het programma van Hans
Dijkstal en Michael Varekamp op zondag tien juli, de laatste
dag van het laatste Haagse North Sea Jazz festival)
JAZZGRAPPEN
- door
Bert Jansma
De
meeste jazzgrappen gaan over geld.
Goed, er zijn uitzonderingen. Bassisten willen ook nog wel
eens in het ootje genomen worden.
Tik op uw zoekmachine de woordjes Jazz Jokes in en je krijgt
er een veelheid van te zien op het Internet. Waarbij bassisten
inderdaad de Belgen van de jazz lijken.
- Hoe kun je zien of een bassist vals speelt? luidt de vraag.
- Als-ie z'n strijkstok gebruikt, is het antwoord.
Ik citeer alleen maar, laat ik dat even benadrukken, anders
krijg ik straks de hele Nederlandse bas-scene achter me
aan.
Van Marius Beets tot en met Frans van der Geest. En dat
zijn echt hele sterke musici.
Nee,
geldgrappen zijn er veel méér.
- Hoe komt een jazzmuzikant aan een miljoen dollar?
- Antwoord: Door met twee miljoen dollar te beginnen.
-Wat is het verschil tussen een jazzmuzikant en een King
Size pizza?
-Van de pizza kan een familie van vier eten.
En
dan die jazzmuzikant die een miljoen dollar in de loterij
heeft gewonnen en wordt geinterviewd.
De journalist: Gefeliciteerd met uw hoofdprijs, meneer.
En mag ik vragen: wat doet u voor de kost?
De muzikant: Ik ben jazzmuzikant.
De journalist: En wat gaat u nu doen met dat geld?
De muzikant: Ik denk dat ik net zo lang ga werken tot 't
op is.
Doordenkertje.
Er is dus blijkbaar iets raars met die jazz.
In Arie van Breda's Haagse jazzbijbel '100 jaar Jazz in
Den Haag' mocht ik destijds een soort nawoord schrijven.
En daar noemde ik de jazzmuzikanten, ik citeer mezelf: 'Een
rondreizend circusje met grote kwaliteiten dat - wachtend
op beter en meer - graag z'n gigs speelt tegen een vaak
schandalig laag honorarium.'
En dat is echt zo.
De monteur die komt kijken - let wel: alleen kijken - of
mijn driftig zoemende koelkast misschien aan vernieuwing
toe is, verdient voor dat dunne kwartiertje evenveel als
een jazzmuzikant die een dik avondje in de kroeg speelt.
Natuurlijk
krijgt die muzikant méér voor een commerciële
schnabbel.
Waar-ie misschien van baalt.
Natuurlijk geeft-ie, als het even kan, óók
nog les.
Zal ook niet altijd even leuk zijn.
En natuurlijk zitten er mooie podiumconcerten tussendoor
die beter aantikken.
Die zijn het zout.
Maar de optredens in juist die club of kroeg zijn de pap.
Daar leert hij spelen.
Daar ontwikkelt hij z'n idioom.
Daar legt hij muzikale verbanden, vormt hij wat straks dat
eigen trio of kwartet, met dat eigen geluid wordt.
Jazzmusici
zijn overgeleverd aan economische wetten.
De kroegbaas moet dat honorarium wel weer terugverdienen
via z'n omzet.
En een publiek dat luistert, verteert echt niet zó
veel.
En die club?
In mijn nawoordje in voornoemd boek van Arie van Breda heb
ik nog hoop dat Pannonica het antwoord zou worden.
Pannonica is niet meer.
Maar is er iets anders voor in de plaats gekomen?
Welnee.
En met de economie is het minder, dus er zijn ook minder
kroegbazen die zich aan de jazz wagen.
En als ze jazz de ruimte geven, dan betalen ze al jaren
hetzelfde bedrag.
Den
Haag mist nog altijd een jazzpodium dat subsidie krijgt,
zoals andere steden wél hebben, en waar musici daardoor
ook normaal betaald worden.
Theater Pepijn had destijds wel zo'n subsidie waarvoor Wim
van Woerkens Stichting Jazz in Den Haag afwisselend Nederlandse
en buitenlandse jazzmusici naar dat podiumpje haalde.
Natuurlijk hebben we De
Tobbe die dankzij Paul Beijerling en al die vrijwilligers
nog eenmaal in de twee weken met jazz uitpakt.
En natuurlijk is er de
Regentenkamer.
En o ja, Carla Versluys heeft wél een bedragje voor
haar Prospero in het Institute of Social Studies.
Nou nou.
Ik
denk met weemoed aan dat kleine Pepijn terug waar een septet
al bijna van het podum viel.
En aan Wim van Woerkens, die dat geld zag verdwijnen.
Eerst naar Theater aan het Spui.
Daarna naar de Anton Philipszaal.
Waar het nu waarschijnlijk gebruikt wordt om bij te passen
voor die enkele concerten van een jazz-big band, van een
zanger of zangeres, van een eventuele Ster.
Niets
jazzstructuur.
Gewoon verdwenen in de concertpot.
Fluiten naar de centen.
Den
Haag jazzstad?
Jawel.
Dat is het nog wel.
Ook al zegt het North Sea in 2006 Adieu Den Haag en Ahoj
Rotterdam.
Er is een conservatorium. Er lopen een hoop goede musici
rond die jazz willen maken.
Nog altijd.
Je vraagt je soms af of ze niet een beetje gek zijn.
Ja, gek van jazz.
Tegen beter weten in.
Ik weet óók dat het geen vetpot is, maar wat
zou ik toch niet graag stiekem piano kunnen spelen als de
Juraj Staniks, de Peter Beetsen, de Erik Doelmannen, of
de Rembrandt Frerichsen.
Jazz is de mooiste muziek.
En als ik dan vandaag een prachtige box binnenkrijg met
een retrospectief van het werk van Charlie Parker die vijftig
jaar geleden overleed.- en die óók niet rijk
is geworden van zijn muziek - is mijn dag weer goed.
En dan denk ik onmiddellijk weer aan een van die Jazz Jokes.
Over
die jazzmuzikant die trots komt vertellen dat hij een nieuwe
cd heeft gemaakt.
- En? Nog wat verkocht? vraagt een kennis.
- Ja, m'n huis, zegt de muzikant.
Ik
heb nog geen jazzmuzikanten zonder oor zien rondlopen, maar
verdomd, het zijn nét Van Goghs.
Niets verdienen, maar over zoveel jaar zijn hun platen er
nóg.
JUST
ONE SONG
- door Bert Jansma
Er zijn
componisten die alleen maar door één enkel
stuk bekend zijn.
Ook in de jazz.
Ons aller 'Toots' Thielemans schonk de jazz zo'n compositie.
Hij maakte er méér, maar die ene werd een
jazzhit: 'Bluesette'.
Honderden muzikanten gaven er hun interpretatie van. En
elke versie leverde 'Toots' weer een grijpstuiver aan rechten
op. En dat kán oplopen.
'Toots' zelf noemde dat ene wereldberoemde stuk dan ook
spottend, met de bekende twinkeling achter zijn brillenglazen:
'my social security number'. Mijn AOW, mijn privé
pensioenfondsje.
Ik heb het voor deze microfoon al een eerder gehad over
'Strange fruit', een song als een document humain, beroemd
geworden door Billie Holiday. Geschreven door Abel Meeropol,
een communist die het pseudoniem Lewis Allen voor die song
gebruikte en verder vooral politiek gekleurd werk schreef
als 'Is there a red under my bed?'.
Nog zo een, duidelijk geen jazzstuk, maar de hele wereld
kent 't: 'The beer barrel polka', met als eerste regel 'Roll
out the barrel'. In Nederland kennen wij 't als 'Rats, kuch
en bonen'. En dat liedje is ook al zo'n Einzelgänger
van een echte componist.
Dat was een Tsjech en hij heette Jaromir Vejvoda. In de
oorspronkelijke titel is de geur van bier wat minder, want
die luidt 'Skoda lásky'.
Vertaald is dat 'Jammer van de liefde'.
Er is wel een verbinding met de jazz, want Jaromirs zoon
heet Josef Vejvoda, was leider van de Big band van Radio
Praha en van huis-uit drummer.
Op een cd met uitgesproken jazzstukken, kan hij het niet
kan nalaten toch nog even een 'jazzy' big band-versie van
die Beer Barrel Polka van Pa te geven.
Er
is nog zo'n song die een heel eigen leven ging leiden: 'Georgia
on my mind'. Velen denken dat die van Ray Charles is, maar
hij is echt van Hoagy Carmichael.
Een bijzondere pianist die het tot filmrolletjes in Hollywood
bracht, bijna altijd achter de piano met een sigaret hangend
aan z'n lip:
'To have and have not' met Humphrey Bogart, 'Young man with
a horn' met Kirk Douglas, en de western 'Laramie'.
Carmichael schreef een rugzak vol songs: 'Two sleepy people',
'Rocking chair', 'Ole buttermilk sky', en vooral 'Skylark'
en 'The nearness of you'.
Maar dat ene 'Georgia' geeft hem al recht op een standbeeld.
Het
aller-allermooiste voorbeeld van zo'n eenling-song is echter
'Nature boy'.
Gecovered door hónderden, maar beroemd gemaakt door
Nat 'King' Cole.
En geschreven door een man die verder in de muziek geen
rol meer speelde: Eden Ahbez.
Een zonderling, een 'hippie' avant-la-lettre, en een van
de meest curieuze figuren uit naoorlogs muzikaal Amerika.
Een joodse jongen uit Brooklyn, als Alexander Aberle geboren
in 1908, die midden jaren veertig in Los Angeles opduikt.
Hij claimt dat hij te voet al acht keer de Verenigde Staten
van Oost naar West heeft doorkruist, trouwt in LA met ene
Anna Jacobsen, bivakkeert met haar in een slaapzak in parken,
en vertelt wie het maar wil weten dat hij als vegetariër
overleeft op drie dollar in de week.
Op straathoeken geeft hij lezingen over Oosterse mystiek,
met een langharig Christus-kapsel, broodmager, halfnaakt,
of in bloemen gehuld.
In
1947 krijgt Nat 'King' Cole van zijn manager een wat smoezelig
uitziende rol muziekpapier met een song. Manager Mort Ruby
heeft die weer van een onduidelijke figuur die zijn naam
alleen met kleine letters schrijft, omdat hoofdletters aan
de Schepper zijn voorbehouden.
En die als 'stalker' om het theater zwerft waar Cole optrad.
Eden Ahbez en 'Nature boy' dus.
Cole twijfelt, geeft de song aan zijn bandleider Frank DeVol.
Die gooit het originele walsritme eruit, maakt er een rubato-versie
van, zonder vast ritme en op 22 augustus 1947 wordt het
opgenomen.
Platenmaatschappij
Capitol weet niet goed raad met die vage song over een 'strange,
enchanted boy' die van 'very far' komt en als les heeft
dat 'the greatest gift' is om lief te hebben en liefde terug
te krijgen. Maar het theaterpubliek valt als een blok voor
'Nature boy'.
Cole had de rechten voor de song nog niet, en gaat op zoek
naar de mysterieuze meneer Ahbez.
De overlevering wil dat hij meneer en mevrouw Ahbez aantreft,
kamperend onder de eerste L van de befaamde, enorme HOLLYWOOD-letters
in de heuvels boven de vallei waar de filmindustrie resideert.
Ahbez had om te overleven helaas al een handvol mensen een
deel van zijn rechten op voorhand al gegeven als betaling
en eindigt zelf met zo goed als niets.
Na de dood van Nat King Cole wordt dat goedgemaakt door
diens weduwe die de rechten teruggeeft aan Ahbez.
Al zet Capitol records 'Nature boy' op de B-side van de
single, ook de radiostations pikken het 'en masse' op en
Ahbez' song wordt een nummer 1 hitsingle. Frank Sinatra,
Dick Haymes, Sarah Vaughan haasten zich om hun versie ervan
op te nemen.
Eden
Ahbez zal zijn ongewone levensstijl voortzetten. Met weinig
meer dan die slaapzak en een fruitpers. Hij schrijft nog
een song, 'Land of love', voor Cole, maar dat wordt niet
veel. Hij maakt nog twee merkwaardige platen voor een underground
label, met hippie-poëzie-op-muziek en hij wordt gezien
in de buurt van Brian Wilson wanneer die bezig is aan zijn
'Pet sounds' en 'Smile'-albums.
In 1995 overlijdt Ahbez nadat hij door een auto is aangereden.
Maar 'Nature boy' overleeft.
Nog steeds.
'Toots'
hield zijn AOW aan 'Bluesette' over.
Eden
Ahbez bleef alleen die mystieke legende.
Column
in Jazz op West, 20.10.05
ONGEWENSTE
SONORITEITEN - door Bert Jansma
Ik las
het bericht in Het Parool van vorige week en m'n dag was
opeens goed.
De kop van dat bericht luidde: 'Albert Heijn bant muziek
uit de filialen'.
De
grootgrutter had blijkbaar besloten om in 67 van zijn 700
winkels de muziek uit te zetten.
Of beter: de muzák uit te zetten.
Een daad die navolging verdient.
Mevrouw
Lia Verhaar van de stichting BAM -voluit Bestrijding Akoestische
Milieuvervuiling - verklaarde naar aanleiding van dat bericht
'zielsgelukkig' te zijn. En ze liet weten dat dit een moment
was 'om de flessen open te trekken', een mij ook al sympathieke
kreet.
Want het is echt vreselijk wáár allemaal bedrijven
en instellingen een van muziek afgeleid geluidsdecor inzetten
om hun clientèle in koopstemming te brengen.
Hotellobby's
waar je doorheen waart op klanken van een door de gehaktmolen
gehaalde Mantovani.
Liften waar je claustrofobisch wordt van gejengel uit de
wanden.
Toiletten waar je niet even gewoon je behoefte kan doen
zonder te moeten luisteren naar natte-zakdoeken-muziek.
Je wordt gek van die zogenaamd rustgevende, naar New Age
riekende, weke brei van klanken uit een kruising tussen
stofzuiger en synthesizer.
Althans
zo onderga ik 't.
En
wat dacht u van een café waar je net in de buurt
van een luidspreker moet plaats nemen. Gesprek, vergeet
't maar. Onmogelijk. Veel gasten houden hun mond sowieso
al, maar de dapperen die nog tot conversatie in staat zijn
zie je elkaar verbaal benaderen in een soort mond-op-mond
beademing via het oor.
Afgelopen
weekend was ik in het Sparta stadion in Praag, waar Nederland
tegen Tsjechië voetbalde. De einduitslag maakte heel
veel goed, maar wat je daar hoorde via luidprekers uit de
onderste regionen van de geluidsdivisie, was schrikbarend.
Verwoestende bassen, een schreeuwende meneer die z'n opleiding
duidelijk bij de drie-ballen-voor-een-kwartje van de kermis
had gehad, en een denderend geluidstapijt met hetzelfde
effect als drijfzand. Je zakte er steeds moedelozer in weg.
Maar
in datzelfde Praag wachtte me ook een verrassing.
Ik verbleef in het Alcron hotel, en degene die daar voor
de geluidsklanken zorgde had ik zó willen omhelzen.
Ik weet niet of de BAM hetzelfde zou doen, want daar willen
ze helemaal niks, en vinden dat iemand die muziek wil horen
maar iets op z'n hoofd moet zetten.
In dat Alcron had ík die behoefte in elk geval niet,
want daar klonk jazz.
Jawel, jazz.
En
niet zomaar een Bach-met-ritmesectie à la Jacques
Loussier.
Of een orkest dat wel de breedte had, maar niet de swing.
Nee, in het Alcron-hotel was het één en al
big band.
Van Artie Shaw tot Fletcher Henderson. Van Bennie Goodman
tot Count Basie.
Zelfs op de toiletten was het swingen geblazen en ik heb
zelden zolang m'n handen gewassen als daar in Praag.
De hotelbar heette dan ook de Bebop-bar en al werd er dat
weekeinde geen echte bop gespeeld, ook dáár
jazz.
Met aan de bas een meneer die me deed denken aan de banjo-speler
van het oude stijl-orkestje van de blinde Tsjechische pianist
Jaroslav Kos dat jaren geleden in Den Haag in De Paap speelde.
En inderdaad, hij bleek, het, Ondrej Ernyei, en hij zette
z'n bril even voor me af om te demonstreren hoe de tijd
bij hem had huis gehouden.
In dat Praagse hotel verzorgde hij de muziek. Bedankt Ondrej!
Terug
in Nederland zonk me al gauw de moed weer in de schoenen.
Want in een van de établissementen op Schiphol Plaza
werd weer zo hard muziek gedraaid, dat ik m'n glaasje wijn
nauwelijks door m'n keel kreeg.
'Maar meneer, dat is jazz', verduidelijkte de barkeeper
die me voor een André Hazes-fan aanzag..
Jazz?
Het
bleek Jamie Cullum, de door zijn platenmaatschappij als
de nieuwe superster gepushte pianist en zanger.
Zijn eerste cd was leuk, zijn eerst optreden ook, een aangename
kwajongen die zijn vak in nachtclubs en op cruise-schepen
had geleerd. En die nu van pure blijdschap op echte podia
stond te springen
Maar wanneer een platenmaatschappij je een contract aanbiedt
en aan je carrière gaat sleutelen, boer pas op je
kippen.
Want je kan dan wel beroemd worden, maar het woord jazz
blijkt dan een etiket dat al gauw loslaat.
Zo ook bij Jamie.
Ik
zag hem deze zomer achter het toneel in de Jan Steenzaal
van het Nederlands Congresgebouw.
Een sympathiek ogende, gewone knul en een jazzfan blijkbaar.
Die met z'n camera vanachter de gordijnen kiekjes maakte
van de Echte Sterren, onder wie John Scofield.
Maar dan kom ik thuis en daar ligt zijn nieuwste cd en dvd,
'Catching tales'.
Plús een compleet boekwerk voor de pers.
Op de cd is hij inmiddels gaan zingen als een jengelend
kind en dat veelbladige, in spiraal gebonden boekwerkje
vermeldt trots onder meer dat:
Jamie
Cullum in 2004 350 dagen werk had.
Dat hij 243 T-shirts bezit
En één paar jeans.
En dat hij 5 piano's kapot heeft gespeeld.
'Ho,
ho, ho' zegt de barkeeper op Schiphol. 'Jamie Cullum heeft
de jazz weer populair gemaakt'. En hij kijkt me verachtelijk
aan. Omdat ik verklaar dat die overdosis keiharde Cullum
inmiddels wat mij betreft ook tot de ongewenste sonoriteiten
gaat behoren.
BAM.
Sorry fans.
Wat
is er toch met die jazz?
Moet-ie nou altijd populair gemaakt worden door mensen die
geen jazz spelen.
Iemand moet me dat toch maar 'ns uitleggen.
En ik beloof hem of haar, dat ik dan wél, en héél
goed, zal luisteren.
Column
in Jazz op West, 13.10.05
KLEINE
GEHEIMEN - door Bert Jansma
De jazzwereld
zit vol met kleine geheimen, anecdotes en mooie verhalen.
Ik kom daarop, omdat in de herhaling van Ken Burns video-serie
over jazz door Hans Mantel bij de NPS, de naam Freddie Keppard
viel.
Ik had die naam al geen jaren gehoord, wist dat-ie ergens
tussen Billy Bolden en King Oliver een plek had in de jazzhistorie,
maar dankzij de aflevering van Burns plus enig zoekwerk
kreeg ik het beeld van een onbekende reus voor ogen.
Trompettist Keppard leefde van 1890 tot 1933 in New Orleans.
Hij schijnt zó hard geblazen te hebben dat het bezoekers
van zijn concerten sterk werd ontraden om op de eerste rij
plaats te nemen, omdat dat té gevaarlijk was voor
hun gestel.
Keppard had meer eigenaardigheden. Hij was ontzettend bang
dat men hem zou imiteren en de loef afsteken. Nee, platen
wilde Keppard eerst beslist niet opnemen, want dan kon men
horen 'hoe-ie-'t-deed'.
Hij schijnt z'n trompet op de Bühne zelfs gespeeld
te hebben met een zakdoek over zijn hand. Opdat zijn publiek
maar niet zijn vingerzetting zou kunnen afkijken.
Het
doet me denken aan een verhaal dat trompettist Ack van Rooyen
me vertelde over orkestcollegae die zorgen dat ze hun mondstuk
altijd in hun zak hebben en dat - ná het spelen -
daar meteen weerin laten verdwijnen. Niemand mag hun 'geheim'
zien.
Ack is te wellevend om namen te noemen, maar kinderachtig
vond hij het wel.
Nee, dan Louis Armstrong die in de nadagen van Keppard diens
troon dreigde over te nemen. 'Boy, let me have your trumpet'
zei de oude koning Keppard als bezoeker tijdens een optreden
van Armstrong. Hij kreeg 'm, en hij blies en blies en blies,
vertelde later Lil Armstrong. Met als resultaat een 'big
hand' van de zaal. Maar kroonprins Louis had inmiddels steeds
gloeiender de pest in over deze muzikale broodroof.
Pianiste Lil Armstrong beet haar 'Pops' toe 'Now, get him,
get him'. En Armstrong got him. Hij blies al z'n agressie
weg in een navolgende solo, die het publiek stampend van
enthousiasme boven op tafels en stoelen bracht.
'Nobody ever asked Louis for his trumpet again', is het
slot van het verhaal van Lil' Armstrong.
Mooie muzikale versie van een troonsafstand en een troonsbestijging.
Er
zijn honderden van die kleine geheimen uit de jazzhistorie
op te diepen.
Een sprong in de tijd, maar heeft U zich wel eens afgevraagd
waarom saxofonist Paul Desmond na zijn vaste plek in het
kwartet van pianist Dave Brubeck te hebben verlaten, nooit
meer in combinatie met piano te horen is geweest?
Alleen met groot orkest of - vooral - met gitaristen als
Jim Hall?
Wel, in zijn contract met Brubeck schijnt gestaan te hebben
dat hij levenslang nóóit met een andere pianist
dan de grote Dave in een jazztrio of kwartet zou mogen spelen.
Ik wist 't niet.
Ik heb 't uit de 'liner notes' van een van de bekendste
Amerikaanse jazzscribenten, dus als ik lieg doe ik dat in
commissie.
Boeiende
man trouwens, die Paul Desmond.
Een saxofonist met een vlekkeloze toon en eigenlijk als
musicus groter dan baas Brubeck.
'Take five' was een compositie van Desmond. In zijn testament
schreef de man die wel grossierde in glamoureuze vriendinnen
maar ongetrouwd bleef, dat de revenüen van die song
naar het Rode Kruis mochten.
En zijn vleugel schonk hij aan Bradley's, wijlen de New
Yorkse jazzclub van Bradley Cunningham.
Desmond was een van de weinige saxofonisten die niet beïnvloed
werden door Charlie Parker. Voor wie hij overigens wél
grote bewondering had. Ooit liet iemand hem het uitgeschreven
notenbeeld zien van een Parker-solo en Desmond riep uit:
'Mijn God, dat is niet menselijk meer'.
Zelf wilde hij klinken als een 'dry martini'.
En dat deed-ie.
Het is een inmiddels klassieke uitspraak van de saxofonist.
Desmond kon ook zeer goed schrijven en het is genieten bij
de ingehouden, cursieve humor van zijn eigen 'liner notes'.
Zoals het verhaal van de opname van zijn plaat 'Bossa antiqua'
voor producent George Avakian.
Wanneer die laatste een keer driftig gesticulerend de controlekamer
uitrent bij het horen van vreselijke 'changes' die Desmond
bedacht heeft voor de song 'Heartaches', schrijft Desmond
bijna monkelend van zelfspot: "En dát is een
soort muzikale mijlpaal. Want George ondergaat meestal sereen
glimlachend de meest desastreuze 'takes', hopend dat er
ooit nog iets goeds zal gebeuren dat hij er later in kan
monteren".
Desmond gebruikt de 'changes' voor 'Heartaches' daarna toch
nog, maar laat de melodie compleet vallen. "De schrijvers
van 'Heartaches' zullen zich dus niet laten zien om royalties
te innen", schrijft hij dan. "Maar mochten ze
zin hebben om langs te komen voor een borrel, ik ben meestal
thuis tussen 4 en 6."
Diezelfde producer Avakian had er een handje van om tijdens
opnames in de controlekamer voortdurend aan de telefoon
te hangen. Eén van de 'takes' van diezelfde elpee
'Bossa Antiqua' stond erop, maar Avakian zat nog steeds
achter het glas van zijn 'controll booth' met de hoorn aan
't oor.
Dus ging Desmond koel de studiodeur uit, begaf zich naar
de dichts bijzijnde telefooncel en belde Avakian: 'Hallo,
Paul hier. En, hoe vond je onze laatste 'take'?
Mooie man, die Desmond, die ooit vele malen achtereen de
Down Beat publieks poll won en één keer de
Critics Poll. Toen - na enkele wereldhits - de belangstelling
voor het Brubeck kwartet én hem verminderde, zei
hij 'Ach, ik was al uit de mode voordat iemand me kende'.
Wie
kent Desmond vandaag nog? Ik ben bang dat ook hij tot een
van de geheimen van de jazz is gaan behoren.
En dat is - vind ik - toch heel erg jammer.
Column
in Jazz op West 6.10.05
MUZIEK
MET EEN BIJSMAAK
- door Bert Jansma
Er
zat een luchtje aan het huis van mijn pianojuffrouw.
Nee, alles in het nette.
Want ze was keurig getrouwd, alleen zéi je toen nog:
juffrouw.
Vandaag de dag zou je haar bij haar voornaam noemen. En
wie weet was ik dan verder gekomen met mijn pianospel.
Nee,
dat luchtje was écht een luchtje.
Het róók er.
Een onbestemde geur ergens tussen bloemkool, schoonmaakmiddel
en Airwick in.
Dat luchtje is niet de reden dat ik met pianoles stopte
en Czerny's Schule der Geläufigkeit verliet. Maar dat
luchtje is wel in m'n leven blijven terugkomen, steeds als
er iets was waar tevéél de grote P van Plicht
op rustte.
Want zulke luchtjes zijn een soort eilandjes van geur in
je herinnering die zich zomaar, zonder dat je er iets aan
kunt doen, aan iets heel anders kunnen verbinden.
Een
soort synesthesie.
En
dat is een moeilijk woord voor, opgelet want dat heb ik
even voor u opgezocht: de mentale en onlosmakelijke verbinding
tussen twee zintuig-domeinen.
Dat betekent dat iemand bijvoorbeeld een kleur kan horen,
of een geluid zien.
De
verbinding tussen zintuigen kan in principe heel simpel
zijn. Zoals in het voorbeeld van mijn pianojuf.
Je ziet dat boek met vingeroefeningen van Czerny terug en
je ruikt die geur. Gewoon een associatie.
Maar echte synesthesie is complexer.
Getuige een merkwaardig krantenbericht dat ik tegenkwam.
Dat ging over een zevenentwintigjarige blokfluitiste, Elizabeth
Sulston.
Haar geval wordt beschreven in het blad Nature en ze is
er voor onderzocht door Zwitserse neurologen. En als dát
niet serieus is.
Mevrouw
Sulston krijgt een vreemde smaak in haar mond als ze muzikale
intervallen hoort. Ze proeft ze. Echt.
Een kwart smaakt bij haar naar gemaaid gras.
Een reine kwint naar zuiver water.
Een kleine terst is zoutig.
Een grote terst is zoet.
En een grote sext smaakt naar vetarme room.
Elizabeth
Sulston zit er blijkbaar niet mee. 'Het kwam goed van pas
bij het onderscheiden van die intervallen', zegt ze op de
website van Nature. 'De sensatie van het luisteren naar
muziek zou zonder deze synesthetische perceptie veel minder
intensief zijn', denkt ze.
En ze gaat verder met haar proeverij.
Een
octaaf smaakt naar niks, het kleine septiem en de grote
secunde, samen een octaaf, smaken allebei bitter.
Het grote septiem en de kleine secunde zijn zuur.
En een verminderde kwint smaakt naar - walging.
Hoe
smaakt walging, vraag je je dan af.
Waarschijnlijk net als mijn combinatie van bloemkool, schoonmaakmiddel
en Airwick.
Ik
vind het wel een mooi verhaal van die mevrouw Sulston. En
ik vraag me af hoeveel musici dat hebben.
Heren of dames, laat 't even weten.
Met
mijn eigen geval hoef ik in elk geval niet bij de neuroloog
aan te komen.
Niks mis met mij wanneer Miles Davis in L'ascenseur pour
l'echafaud voor mij klinkt als vervliegend verdriet. En
dat de manier waarop Cannonball Adderley van de ene noot
naar de andere glijdt, gewoon puur lekker smaakt.
En hoor ik Teddy Wilson pianospelen, dan is het net alsof
ik naar een leeg, hemelsblauw zwembad in een zonnig land
kijk, waar de wind mooie rimpelingen in laat neervlijen.
Muziek
is tenslotte gevoel. Is emotie.
In
de jazzmuziek is de kleur blauw belangrijk.
Blue.
Er zijn vrolijke blues, happy blues, maar als je de hele
dag met de blues rondloopt ziet het er verdomd slecht voor
je uit.
Het
brengt me bij een historisch geval van een heel bijzonder
staaltje van dat 'blauwe' gevoel.
In de eerste helft van de vorige eeuw was er een componist
en orkestleider, Georges Boulanger.
Hij schreef een lied dat geschiedenis maakte, 'Sombre dimanche'.
Ook bekend als Trauriger Sonntag of Gloomy Sunday.
De Engelsen hebben er nóg een naam voor: 'The song
forbidden in Budapest'.
Meneer Boulangers lied is daar namelijk echt verboden geweest.
Omdat het honderden bij het horen van zijn voorlaatste akkoord
zwart voor de ogen werd.
En zij zich uit het raam stortten.
De straten zagen zwart van de doden, luidt het verhaal.
Gloomy Sunday werd De Zelfmoord-song.
Zelfmoord uit Weltschmerz of luduvudu met een duwtje van
dat ene akkoord van Boulanger in de rug.
Een es, een g, een b, een des en een f.
Voorafgaand aan een slot in C-mineur.
Een
wel heel sterke verbinding van gevoelssensaties, dat Sombre
dimanche.
In het boek Schindlers Ark schijnt beschreven te staan hoe
joodse concentratie-kamp-violisten het lied voor een dronken
SS-officier speelden. Die daarna zo verward en sentimenteel
wordt, dat hij over de balustrade stapt.
U
bent dus gewaarschuwd.
Want de mogelijkheid dat u die Sombere Zondag tegenkomt
is niet gering.
Billy Holiday zong het en het staat op de plaat.
Saxofonist Branford Marsalis speelt het lied op zijn laatste
cd 'Eternal'.
En elk zichzelf respecterend zigeunerorkest heeft het op
z'n repertoire.
Meneer Georges Boulanger is trouwens van nóg een
lied bekend.
In het Engels heet het 'My prayer'.
Maar de oorspronkelijke Franse titel luidt 'Avant de mourir'.
Vóór het sterven.
Leuk hoor, als je ook al een zelfmoordsong op je geweten
hebt.
Dat noem ik, zonder synesthesie, gewoon: zwart-gallig.
STERREN
STRALEN OVERAL - door
Bert Jansma
Vorige
week was ik bij jazzpianist Rob Agerbeek.
Rob zit dit jaar vijftig jaar in het vak, dus tijd voor
een gesprek.
En aangezien Agerbeek in die jaren heel wat internationale
sterren van de jazz heeft begeleid kwamen er evenzovele
anecdotes los.
Van Art Blakey, die hem meenam op een Europese tournee.
Want Blakey's váste, Amerikaanse pianist was bij
de douane op het vliegveld van Londen blijven steken, omdat
hij de verkeerde bagage in zijn tas had.
Als u begrijpt wat ik bedoel.
Blakey vroeg zelfs aan Agerbeek of hij mee naar New York
wilde in zijn ritmesectie. Agerbeek bleef toch maar hier,
waar hij onder meer saxofonist Gene Ammons moest begeleiden.
Vóór het concert, kruipt Agerbeek nog even
achter de vleugel, om zijn vingers los te spelen. En verdwaalt
even in een oerliefde van hem, de boogie-woogie. Opeens
voelt hij een stevige hand in zijn nek en hoort de stem
van Gene Ammons, die ontroerd en verbaasd tegelijk zegt:
'You play my Dad'.
Want Gene Ammons was de zoon van Albert Ammons en die was
weer een van de hele groten in het boogie- en stride-idioom.
En in die Ammons was Agerbeek zéér thuis.
Een paar voorbeeldjes hoe gemakkelijk contacten in de jazz
soms gaan. En dan heb ik 't natuurlijk niet over Miles,
want die had een eiland, een heuvelrug en een oerwoud van
ondroordringbaarheid rond zichzelf gecreëerd.
Maar al die anderen. Ik herinner me Tim Braaksma, veel te
jong overleden en organisator van jazzconcerten in de Rijswijkse
Schouwburg. Die in die tijd nog gewoon de aula van een school
was. Blakey speelde er met The Messengers en was na afloop
bij Braaksma thuis te vinden.
Ik kom er binnen en zie een zeer zwarte man over de grond
kruipen. Met het dochtertje van pak-weg vijf van de Braaksma's.
Beiden ingespannen boven vellen papier, tekeningen voor
elkaar makend. Prachtig.
Natuurlijk gaat 't altijd om de jazzmuziek zelf, maar tóch.
Ik vond de directheid, de dichtbij-heid en de vanzelfsprekendheid
van contacten met jazzmusici indertijd een verademing. Ik
had voor mijn werk heel wat filmsterren geïnterviews.
Dat was andere koek. Ik herinner me in Hamburg Tom Cruise,
toen net doorbrekend met de film 'Top Gun'. Een koele, keurige
jongeman, die voortdurend Sir en Yes Sir tegen je zei. Later
mocht ik Cruise nogmaals interviewen in Londen. Maar daar
bleek 't om een groepsgesprek met een horde journalisten
te gaan, waarbij je aan de deur ook nog een papier moest
tekenen dat je je tekst alleen, maar dan ook alleen, zou
gebruiken in samenhang met de nieuwe film van Cruise. Dat
zogenaamde interview heb ik maar overgeslagen.
De face-to-face interviews zijn schaars geworden in de filmindustrie.
Het begon met Kirk Douglas, die - in Hamburg - voor een
tiental journalisten bijna een lezing gaf. Nee, vragen hoefde
je niet, hij vertelde wel.
Leuk, maar een interview, nou nee.
Bij Al Pacino voor de film 'Sea of love' bleek een complete
hotelsuite in Rome zelfs stampvol journalisten die allemaal
tegelijk hetzelfde wilden weten.
En tegenwoordig heet 't 'tablehopping': een contingent journalisten
aan tafeltjes en de Ster komt wel een paar momenten bij
je langs.
Nee, in de jazz is dat anders.
Roy Hargrove die bij zijn bezoeken aan Den Haag en de nachten
in het Bel Air-hotel onbenaderbaar is, omdat hij voortdurend
die trompet aan z'n mond heeft, bleek in zijn New Yorkse
'loft 'een rustige prater die je op zijn gympen op straat
nog even de weg wijst.
En die in die 'loft' een piano had staan waarop hij nog
even liet horen daar óók de weg te weten.
En die mooie tenorist Joe Henderson op zijn New Yorkse hotelkamer.
Een uur interview voorbij, nog een uur, cassette-bandjes
op, blocnote op tafel. Het worden vier uren, ik voel me
wat beschroomd: Mister Henderson, als ik teveel ben, moet
U 't echt zeggen.
Welnee, zegt Henderson, en vertelt nog van toèn,
in Amsterdam, in Krasnapolsky, met pianist Frans Elsen.
Of
een grote man als Wayne Shorter. Ik had hem ooit in het
Amsterdamse Hilton geïnterviewd en daar was zijn later,
bij een vliegtuigongeluk, omgekomen echtgenote nog bij.
Een handvol jaren later ontmoet ik Shorter weer. Ik laat
hem het knipsel van dat eerdere interview zien. Met een
foto waarop zijn overleden vrouw nog net zichtbaar is.
Wayne Shorter begint, zonder enig overdreven sentiment,
gewoon, heel zacht voor zich uit, even een gesprekje met
haar op de foto: Daar ben je, baby. Ontroerend en menselijk.
Of een Joe Zawinul, die mijn cd-tje met zijn muziek van
tafel veegt, en zegt: 'Ja, dat weten we nu wel. Wil jij
ook een glas?'
En hij haalt de slivovitsj van onder tafel, schenkt in en
begint gewoon te vertellen.
Nogmaals, het gaat om de muziek. Maar zulke momenten koester
je.
Dat gesprek bij Michael Brecker thuis. In Hastings on the
Hudson, vlak boven New York. Brecker is geen grote prater,
het komt er wel uit, maar aarzelend, met reserves.
Als ik weg ga, legt hij een hand over mijn schouder. Met
iets van: jongen, we hebben ons best gedaan, meer kunnen
we ook niet.
Om
niet te vergeten
Jawel,
Sterren stralen overal. En verdomd, jazzmusici zijn net
mensen.
(Column
uitgsproken in februari 2005)
DE THUISKOMST VAN JOE ZAWINUL
- door Bert Jansma
Hij begon
in Wenen als Wunderkind op de accordeon in Wenen. En werd
de enige Europeaan die in Amerika de jazz wezenlijk benvloedde.
Nu verschijnt zijn eerste symfonie op cd: 'The story of
the Danube'
Op tafel ligt muziekpapier en een pen. Er staan zo'n tien
maten op de notenbalken ingevuld. De rest moet nog komen.
Joe Zawinul zit er bij, stoel omgekeerd, hangend over de
rugleuning. ,,Telkens waneer jullie journalisten me even
met rust laten, schrijf ik weer een maat''. Hij heeft een
Cubaanse sigaar in z'n mond en een van die fameuze oosterse
petjes op z'n hoofd. ,,Tijd, ik heb veel te weinig tijd'',
zegt hij. Hij is bezig aan een 'mediterraanse suite' voor
acht violen, twee altviolen, twee celli, bas en synthesizers.
Binnenkort is de wereldpremière in het Italiaanse
Pescara.
Op 7 juli wordt Joseph Erich Zawinul 64, maar zijn muziek
blijft onvoorspelbaar. Een van de weinige blanken en in
elk geval de enige Europeaan die in Amerika de jazzmuziek
wezenlijk benvloed hebben. Een Oostenrijker die naar
Amerika trok, daar de jazzmuziek absorbeerde en naar zijn
hand zette. Bij Cannonball Adderley hielp hij diens 'soul
sound' definiren met stukken als 'Mercy, mercy, mercy'
en introduceerde de Fender Rhodes electrische piano. Voor
Miles Davis schreef hij de baslijnen voor een aantal van
diens platen en het titelstuk voor 'In a silent way'. De
Weense muzikant die als Wunderkind begon op de accordeon
bij orkestjes in klederdracht werd de spil in de nieuwe
jazzrock-muziek toen hij met Wayne Shorter Weather Report
oprichtte. 'Muziek die verandert zoals het weer', wilde
Zawinul. Shorter kwam met de passende naam. Vijftien jaar
bestond de band en vijftien jaar stond hij bovenaan de 'polls'
in jazzblad Down Beat. Zawinul een fusion-idool, de Rubinstein
van de syntheziser, ontwierp zelf een via adem gestuurde
variatie daarop (Korg Pepe). 'Play electric, sound acoustic'
was zijn motto.
Op het Philipslabel is net zijn 'Stories of the Danube'
uit: een symfonisch werk in zeven delen. Het verhaal van
de 'sch"ne blaue Donau', van Donau-Eschingen tot aan
de Zwarte Zee. Een programmatisch mozaiek, gespeeld door
de Tsjechische Staatsphilharmonie van Brno onder Casper
Richter. Met hemzelf op keyboards en zingend via de Vocoder
(stemomvormer), verder begeleid door muzikanten uit Turkije
en India, Amit Chatterjee, Burhan cal en Arto Tuncboyaciyan.
Van het ontspringen van de Donau naar muzikale suggesties
van het KuK Oostenrijk van Franz Joseph. Van de lange zigeunerjammerklacht
van een volk zonder land naar een Donaulied. Van de geluiden
van de tweede wereldoorlog, marcherende laarzen, sirenes
en een gebed, via de Turkse geluiden van het Ottomaanse
rijk naar een vredige finale.
Folk
music
,,I come from folk music'', zegt Zawinul in een Amerikaans
dat van pure 'slang' met Weens accent ongemerkt in Oostenrijks
overgaat. Hij werd geboren in Wenen, uit een familie met
Hongaars, Tjsechisch en zigeunerbloed (sinti). Hij werd
een muziekzigeuner die snel leerde, invloeden verwerkte
en er iets eigens van maakte. Maakt, want hij is nog altijd
bezig. Straks staat hij met het Zawinul Syndicate (12 juli)
op het North Sea Jazz Festival. ,,Ik vind het zinloos om
achterom te kijken'', zegt hij.
'Stories of the Danube' schreef hij in opdracht voor Karl
Gerbel van het Bruckner Haus in Linz voor de Linzer Klangwolke,
waar hij al eens met Friedrich Gulda gespeeld had. Het werd
er voor het eerst opgevoerd op 12 september 1993. Het zou
een openluchtopvoering worden, maar het weer zat niet mee.
Langs de rivier luisterden duizenden naar de luidsprekers
vanuit het concertgebouw, vertelt Zawinul. ,,Ik had ooit
een Donaulied gemaakt en dat aan mijn agent in Wenen gestuurd.
Die heeft het anderen laten horen en toen kwam die opdracht.
Ik was een even gelukkig mens geweest, als-ie nooit was
gekomen, maar nu heb ik wel de smaak te pakken. Ik heb het
inmiddels in Sao Paolo opgevoerd, en ik zie me het nog wel
eens doen in Budapest langs de oevers van de Donau. Of misschien
in het Concertgebouw in Amsterdam. Ik merk wel dat klassieke
orkestmuzikanten vaak beperkt zijn. Ze hebben weinig bijgeleerd
sinds ze van school kwamen. Kunnen maar moeilijk overweg
met mijn muziek. Die is vaak erg syncopisch en ze kunnen
slecht 'rusten' lezen''. Hij pampamt hardop een serie achtste
noten gevolgd door langere: ,,Die spelen ze altijd te snel''.
Hij ziet er nog wel een taak in, omscholen van orkesten.
,,Musici zijn ontzettend 'turned on' als ze mijn muziek
spelen. Ik praat niet met ze als een Karajan. Ik praat als
een vriend, niet als een terrorist''.
Brno
Voor de opnames van de cd ging hij vanuit Wenen naar het
Tsjechische Brno. Een sentimentele reis. ,,In de oorlog
hadden we absoluut niets meer te eten in Wenen. Mijn grootvader
had een boerderijtje in Moravi. Daar kon ik naar toe.
Om op het land te werken en voor bijvoeding. Ik ben er nu
voor het eerst opnieuw langs gegaan. Mijn grootvader leeft
allang niet meer, maar in dat dorpje was nog niets veranderd.
Ook het boerderijtje stond er nog. Ik durfde er niet binnen
te gaan. Ik heb wel met mijn hand langs het hout van de
deuren gestreken. En ik voelde precies wat ik als jongetje
voelde''.
In Wenen was het ouderlijk huis weggebombardeerd en er was
honger. Zawinul kwam met school weer in Tsjechi terecht.
En hoorde er de eerste jazz van een vriend die stride-piano
speelde: Fats Wallers 'Honeysuckle Rose'. In de na-oorlogse
chaos zou Zawinul zijn brood gaan verdienen op een drukkerij.
Maar hij was rusteloos, begon in 1948 wat te verdienen met
muziek, luisterde naar jazzplaten en pikte zijn eerste bebop-'licks'
op van 'Lullaby of Broadway'. Hij maakte naam, speelde in
de stijl van George Shearing in de Weense Tabarin-club,
hoorde Amerikaanse muzikanten en wilde weg. Zawinul schreef
zich in voor een wedstrijd van het blad Down Beat en won
een beurs voor het Amerikaanse Berklee Jazz College. Hij
heeft er maar heel even gestudeerd, want hij werd al direct
als pianist gevraagd door orkestleider Maynard Ferguson.
Daar werd hij - samen met Wayne Shorter - ontslagen omdat
ze te eigenwijs waren en hij ging Dinah Washington begeleiden.
Het begin van zijn Amerikaanse leven.
Tekening
,,Al die muziek voor 'Stories of the Danube' is net zo ontstaan
als al mijn andere werk. Elke noot is gemproviseerd.
Ik ben drie dagen aan de synthesizer gaan zitten en heb
vier uur muziek bij elkaar gespeeld. Die ben ik gaan orkestreren.
Ik heb een simpele tekening gemaakt van een orkest en die
voor m'n neus neergelegd. En mezelf afgevraagd: waar wil
ik dat het geluid vandaan komt? Zo heb ik mijn improvisaties
tot orkestpartij bewerkt. Synthesizers zijn daarbij mijn
grootste hulp. Je kan er alle geluiden en instrumenten instoppen.
Mijn verbeelding krijgt er de grootst mogelijke vrijheid
door. Die zigeunermelodien, die Turkse melodien,
alles is van mij. Er komt geen noot uit een andere bron.
Ik ken die muziek, ik heb die muziek doorleefd. Iemand die
de Donalanden kent, zal het voelen: deze muziek is als een
thuiskomst''.
Muziek, zegt Zawinul, is het doorgeven van een gevoel. Improvisatie
is de basis. Zo schreef hij de arrangementen voor 'Amen',
het wereldsucces van de Westafrikaanse zanger Salif Keita.
,,Ik kende hem niet, maar hij bleek opgegroeid met de muziek
van Weather Report en gek van mijn 'Black market'. Ik zal
jouw Afrikaanse muziek in zijn waarde laten, zei ik, maar
laat mij er m'n gang mee gaan. Al mijn improvisaties heb
ik daarna als composities gecopyright. Muziek moet direct
zijn. 'Fuck the notes', het gaat om gevoel. Dat heb ik geleerd
van de zevenendertig jaar dat ik alleen maar met zwarte
muzikanten ben omgegaan. Ben Webster heeft bij mij gewoond,
Coleman Hawkins was onze buurman. Ergens in Europa moeten
nog de banden zijn die Ben Webster thuis van ons gemaakt
heeft''.
Egotist
Plotseling in Engels en Duits tegelijk: ,,Ik ben een egotist.
Nicht voreingenommen, nicht eingebildet. Ik luister naar
mezelf en speel wat ik voel. Ik heb al jaren niet naar anderen
geluisterd, misschien niet goed, dat geef ik toe. Ik ben
me er nooit van bewust geweest dat ik dingen vernieuwde.
Die synthesizers waren gewoon een voortzetting van de accordeon
uit Wenen. Ook een vorm van keyboards. En aan die accordeon
plakte ik toen al allerlei dingen vast om het geluid te
benvloeden''.
Jazzrock, een symfonisch gedicht en straks die mediterraanse
kamermuziek. Er zijn geen grenzen voor het zigeunerbloed
van Joseph Erich Zawinul. Hij luistert trouwens niet alleen
naar zichzelf, bekent hij dan. Ook naar zijn vrouw Maxine.
'A great judge', zegt hij. ,,Zij hoort meteen of iets goed
beweegt, of iets goed in elkaar steekt. Ik vertrouw volkomen
op haar. Ze maakt ook de omslagen voor mijn albums. Zij
is The genius in de familie. Ik ben de hardwerkende jongen
die het geld binnenbrengt''. De muzikale wereldburger steekt
nog een Havana op en zegt nog altijd 'fun' te hebben: ,,We
hebben een 'fun family'. Ik ben grootvader en dat is iets
heerlijks. De geur van die kleinkinderen als je ze vasthoudt,
die onschuld. De familie, méér is er eigenlijk
niet. Al het andere moet daar omheen passen''. Zijn zoons
heeft hij genoemd naar zijn twee grootvaders, de Tsjech
en de Oostenrijker. Hij denkt aan Wenen en noemt zichzelf
'kein Musiker', maar 'ein Musikant'. Iemand die het 'natuurlijke
en het geleerde' naast elkaar bezit.
,,Die grösste Ehre in Wien'', zegt hij.
Interview
bij het uitkomen van Zawinuls 'Stories of the Danube'
LIZZ WRIGHT Van gospel naar jazz
- door Bert Jansma
De
elfde juli 2002 was D-day voor Lizz Wright. Een onbekende
jonge Amerikaanse uit Georgia die meedeed aan het Billie
Holiday Tribute concert in Chicago. Een dag later schreef
de Chicago Tribune 'dé ontdekking van de avond, met
een mate van spiritualiteit die je bij weinig jonge jazzartiesten
tegenkomt'.
Inmiddels heeft Lizz Wright (23) haar debuut-cd gemaakt
('Salt') en staat ze voor het eerst in een festival buiten
Noord-Amerika. Een tengere zangeres die kerk en gospel heeft
verruild voor songs met vaak aan poëzie grenzende,
eigen teksten. Van introspectie, zoeken en een houding in
het leven. Warm uitgezongen met de de resten van de gospel
in een altstem vol emotie.
Haar weg is een bijzondere. Opgegroeid in een religieus
gezin in Hahira, Georgia, haar vader predikant-voorganger
in de kerk, haar moeder die er gospels zong. Daar zou ook
de toekomst voor dochter Lizz liggen. Maar Lizz wilde anders.
Zingen. "Op m'n high school had ik in een gospelgroep
gezongen, na school wilde ik aan de Georgia State University
zang gaan studeren. Maar daar had je voor nieuwkomers alleen
een klassieke klas. Aria's uit Italiaanse opera's. Erg moeilijk
voor me, omdat ik toen niet voelde wat dat met mijzélf
te doen had. Ik dwaalde af, kon me niet concentreren en
ben weg gegaan. Terug naar huis. Maar ik ben muziek blijven
doen, er met mensen over praten. Over jazz en al wat erbij
hoort. Muzikanten, leraren en vrienden kwam met lange lijsten
met namen van zangeressen. Ik heb naar iedereen geluisterd.
Van Bessie Smith en Dinah Washington tot Nancy Wilson en
Betty Carter".
Allemaal nog ongericht, tot ze die avond meezong met de
groep In the Spirit van pianist Kenny Banks. "Ik zong
gospels, maar moest een toegift doen. En ik had niets. Toen
speelde Kenny een ballad met veel soul, met een hoop blues
en ik kon er zomaar in mee. Opeens had ik het gevoel dat
dít was wat ik al die tijd vermoedde, maar nog niet
zeker wist".
Het werd niet het begin van de klassieke successtory. Want
de serieuze Lizz Smith wilde dan wel zingen, maar het moest
ook ergens over gáán als er een cd kwam. Chick
Corea's 'Open your eyes, you can fly', bekend geworden door
Flora Purim, koos ze, een bewerking van de Vocalise van
Rachmaninoff, een traditioneel 'Walk with me Lord', Mongo
Santamaria's 'Afro blue'. Maar vooral stukken als 'Eternity',
'Silence' en 'Blue Rose' die ze zelf schreef. Muzikaal ingekleurd
door topmusici als Brian Blade als arranbgeur-producer.
Veelkleurig, uiteenlopend van strekking én autobiografisch."Die
stukken reflecteren die periode in mijn leven. Er was zoveel
aan het veranderen. Ik kwam van platteland-Georgia en nu
woonde ik opeens in New York. Ik was zo goed als 'minister'
in de kerk van mijn ouders en nu zong ik in clubs. Ik schreef
en schreef, wat ik altijd doe als ik nadenk. Pas toen er
een aantal songs op papier stonden, begreep ik wat alles
met elkaar te maken had".
Haar ouders waren niet gelukkig met die dochter die overdag
in een coffeeshop in New Jersey werkte en 's avonds zong
in een avondjurk. Ze zagen al die rokerige jazzkelders,
de tafeltjes vol drank al voor zich. Vader Wright wilde
er al helemaal niets van weten. Lizz Wright: "Mijn
moeder is zo'n 'beautiful soul' (prachtige ziel). Zij heeft
de muziek binnen de familie gebracht. Wat ik doe is een
uitvloeisel van haar kracht en energie. Zij begon me zo
lang te ondervragen over wat ik nu precies wilde, tot ze
't begreep. En het verband zag tussen mijn vroeger en nu.
Ze luisterde naar mijn cd en vroeg mijn vader óók
te luisteren. Die belde me in New York op en zei: 'Sorry
kid dat ik niet eerder naar je heb geluisterd. Ik was er
te nerveus voor. But I really like it. Je moeder en ik hebben
op je muziek gedanst in de keuken".
Lizz Wright is er blij mee. Maar over alles rondom die eerste
cd is ze voorlopig terughoudend: "Muziek is geen business.
Het onder de mensen brengen ervan wél. Dat weet ik.
En dat kan zeker uit de hand lopen. Maar het is simpel voor
me: ik wilde destijds iets en nu kan ik dat doen. De cirkel
is rond. Maar ik moet me altijd blijven realiseren wie ik
ben en waarom ik op dat podium sta. Ik kijk vooruit naar
dat grote festival in Den Haag. Maar ik zou ook graag mijn
songs in de kerk zingen. Zingen voor een publiek dat er
niet voor hoeft te betalen. Dat mis ik".
Interview
HC Bijlage North Sea jazz 2003
Terri Lyne Carrington
- door Bert Jansma
Opa's
drumsticks waren het begin
Jaren
geleden riep Dizzy Gillespie het al: 'Oooowee Man, she's
mean! She's good, man! That little girl can play!'. Terri
Lyne Carrington is al lang geen 'little girl'meer, en dat
ze kan drummen weet heel de jazzwereld inmiddels. Ze speelde
met Stan Getz, in de band van Al Jarreau, ze maakte deel
uit van M-Base, drumde bij Wayne Shorter en het kwartet
van Herbie Hancock. Een aantal jaren geleden kwam ze op
internationale festivals in Europa opeens in beeld. Een
tengere donkere jonge vrouw met dreadlocks die de drums
sloeg als een kerel en een uitstraling had van: kijk mij
hier 's zitten, let op mij! Een vrouw achter een instrument
dat stilzwijgend tot het terrein van de jazzmannen werd
gerekend.
Voor Terri Lyne Carrington was het de gewoonste zaak van
de wereld. "Ik heb er als kind nooit een moment aan
gedacht dat mensen daar van opkeken. Ik werd me er pas van
bewust naarmate ik ouder werd. Jazzpubliek dat me als een
curiositeit zag. Ik heb m'n hele leven lang jazz gespeeld
en ik wist niet beter. Natuurlijk is jazz traditioneel meer
het terrein van mannen dan van vrouwen. Op zangeressen na
dan. Maar waarom? Het is nu aan het veranderen zoals het
overal in traditioneel door mannen overheerste gebieden
van de samenleving gaat. Maar die hele man-vrouw issue wil
ik vergeten. Ik maak muziek. En er zijn maar twee soorten
muziek. Goede en slechte".
Het verhaal van Terri Lyne Carrington en de jazz is een
bijzonder verhaal. Haar grootvader Solomon Matthew Carrington
II was drummer in Boston en speelde met alle jazzgroten
die zijn stad aandeden. Na een 'gig'met saxofonist Gene
Ammons in 1965 stapte hij van het toneel en zakte in elkaar.
Een paar maanden na zijn dood in 1965 werd Terri Lyne geboren,
dochter van Solomon (Sonny) Matthew Carrington III, amateur-saxofonist.
Ze begon al snel op de sax van pa te spelen en aangezien
musici als Illinois Jacquet en Rahsaan Roland Kirk kind
aan huis waren bij de Carringtons, kreeg ze adviezen, lessen
zodat ze op haar vijfde al 'Tangerine' kon blazen. Tot ze
ging wisselen, haar tandjes kwijt raakte en het gedaan was
met de sax. Een klein drama dat door vader Sonny werd opgelost
door zijn dochter Opa's drumsticks te geven. Terri blééf
drummen, werd als snel beschouwd als een wonderkind en speelde
op haar tiende (!) al met een grootheid als trompettist
Clark Terry. "Natuurlijk geen Coltrane, maar dingen
die ik gemakkelijk kon begrijpen. Als je de blues begrijpt,
kan je vandaar uit naar complexere vormen groeien. En mijn
vader speelde alle soorten blues voor me, Jimmy Smith, James
Brown, B.B.King. Ik had al gauw die 'blues feeling' en ik
was een natuurtalent. Ik kon meteen maat ('time') houden".
Terwijl ze zit te vertellen wordt haar halve huis in Los
Angeles omver gehaald, omdat er een vloer gelegd moet worden.
De telefoon valt op de grond in tweeën en wordt weer
in elkaar geschroefd, de hond smeert 'm door de openstaande
deur en moet teruggehaald worden en de piano dient met beleid
te worden weggerold. Ze koos voor Los Angeles om het klimaat
en de 'health culture'. "Je hebt hier niet zo'n hardcore
jazzcultuur als in New York, van jazz alleen zou ik hier
niet kunnen leven. Je doet studiowerk, je speelt met allerlei
meer pop-georiënteerde bands. En daar heb ik geen enkele
moeite mee. Ik wil een 'total musician' zijn".
Ze werd in Amerika pas een Bekende Persoonlijkheid toen
ze meespeelde in de tv-show van komiek en acteur Arsenio
Hall. Géén jazz. Ze lacht een beetje om de
absurditeit van het feit dat ze daardoor wél als
jazzmuzikante profiteerde: "Het heeft mijn carrière
ongelooflijk geholpen".
Inmiddels heeft ze een groot cd-project als leider afgeleverd.
Uitgekomen bij het Duitse ACT-label dat daarmee zijn aanwezigheid
op de Amerikaanse markt wil versterken. 'Jazz is a spirit'
is de titel, een reis door de jazz die herinneringen aan
het verleden combineert met zeer eigentijdse geluiden, solo's
en 'programming'. Met een hoestekst van Angela Davis. "Die
titel komt van Abbey Lincoln. Ik vond het zo mooi dat ik
haar gevraagd heb om die te mogen gebruiken", vertelt
ze. Zelf omschrijft ze jazz op de cd-hoes als 'voortdurende
momenten van pure creativiteit', 'het logische ontrafelen
van wat je denkt dat het moet zijn', en 'collective storytelling',
het vertellen van een verhaal door een collectief van musici.
"En dat is ook nog niet perfect", voegt ze er
gepassionneerd aan toe. "'Jazz means: no category'
heb ik ook ergens geschreven en 'jazz is vrijheid binnen
grenzen'. Dat is allemaal wat jazz voor mij betekent. Deze
cd moest geen arbitraire muziek zijn, maar de luisteraar
meedwingen op een reis. Het soort plaat waar ik zelf graag
naar luister en waarin je achter elkaar van begin tot eind
mee moet".
Track nummer dertien op 'Jazz is a spirit' is een ontroerend
monoloogje van een 74-jarige 'Papa' Jo Jones, een van de
grote vernieuwers van het jazzdrummen. Met een schorre stem
op de rand van de verstaanbaarheid heeft hij het over Billie
Holiday, over Ethel Waters. 'Terri, als je een probleem
hebt, kom bij mij zolang ik er nog ben', krast de 74-jarige.
'Om je grootvader. Om je vader. Om jou. Take care and say
your prayers'. Terri Lyne Carrington: 'Ik heb dat een paar
maanden voor zijn dood in 1985 bij hem thuis opgenomen.
Een stukje historie dat ik met iedereen wil delen".
Interview
in HC Bijlage North Sea Jazz 2003
The
Terri Lyne Carrington Group
Gary Thomas (sax), Patrice Rushen (keys), Mat Garrison (bas),
Nugyén Lê (gitaar), Terri Lyne Carrington (drums)
TOEKOMSTVISIOEN
- door
Bert Jansma
Aan
de muur bij mij thuis hangt een lijst met daarin een stel
fraaie affiches.
North Sea Jazz festival The Hague staat erop.
Het deed me elke keer weer pijn als ik er langs liep.
Want de laatste met The Hague komt er aan.
Daarna zal er Rotterdam op staan.
En of ik dat nou in de gang van m'n Haagse hofje wilde?
Ik wist het niet.
Deze
week kon ik een zucht van opluchting slagen.
De gemeente Den Haag heeft een keus gemaakt voor een opvolger
van het North Sea.
Geen imitatie, geen kloon, maar een festival met een eigen
signatuur.
Ik ben er blij om.
Michael
Varekamp, de maker van dit programma is intiatiefnemer.
Mét saxofonist Ben van den Dungen en muzikaal zakenman
Eelco van Velzen.
In een vroeg stadium hadden ze me hun ideeën gestuurd.
Ze zochten naar een manier om ze verbaal 'voelbaar' te maken.
En vroegen me: Zou jij niet een recensie willen schrijven?
Alsof je bij de eerste dag van het nieuwe festival rond
het Spuiplein aanwezig was?
In 2006?
Hmmm.
Interessant. Ik kon er mijn verdriet om het North Sea-verlies
mee wegtikken.
Ik kon er mijn hoop op loslaten.
Dat deed ik. Dit was het resultaat.
Zogenáámd gepubliceerd in de Haagsche Courant
ergens in 2006.
De
kop luidt:
Geslaagd
festival rond
waarachtig kunstenplein
door
onze jazzrecensent
Prachtige
opening van het nieuwe Haagse Music X-tensions festival:
The New Hague All Stars in een tent op het Spuiplein met
hier zelden gehoorde Europese grootheden als gast. De mooie
Italiaanse trompettist Enrico Rava, pianist Stephane Bollani
die even de plaats van Peter Beets in nam.
Een concert dat muzikaal in het verleden begon en met de
fraaie arrangementen van Johan Plomp op weg ging naar de
toekomst. Van bop naar boogaloo. Van zwaar aangedreven funk
naar ijlere regionen waar ritme ondergeschikt wordt aan
sferische vluchten op sopraansax en trompet. Alsof Miles
alsnog een fusie was aangegaan met Messiaen.
En wat zag dat plein er opeens anders uit.
De beruchte fontein mocht dan stilgelegd zijn, de allure
was er.
De op jazz geïnspireerde sculptuurprojecten rondom,
volop beweging tussen de diverse zalen om een wáár
kunstenplein.
De tram- en buslijnen door de gemeente Den Haag wat uitgedund
voor het nieuwe festival, en het fenomeen van de 'klaarovertjes'
weer tot leven geroepen tussen de twee zijden van het Spui,
nu in festival T-shirts.
Het had er de eerste dag alles van dat hier een mooi alternatief
voor het naar Rotterdam weggeglipte North Sea Jazz zal kunnen
groeien. Een festival niet voor de hele grote massa's, maar
wel breed, jong en met veel verbindingen met andere kunstdisciplines.
In het Filmhuis kon je een Stan Getz horen zoals hij maar
zelden speelde, het getergd uitschreeuwend tussen wanhoop
en angst, op de soundtrack van de zelden vertoonde film
'Mickey One'.
Dichter J. Bernlef verklaarde in het Theater aan het Spui
zijn verbale visie op de jazz nu en de toekomst en liet
daarna aan de piano - met een combo van jazzcritici - horen
hoe hij voortborduurde op Thelonious Monk-achtige dissonerende
klanken.
In de Nieuwe Kerk speelt de New Dutch Academy van Simon
Murphy, een jong ensemble dat al eerder vol bravoure de
vroege symfonieën van Stamitz, Richter en Corelli de
vernieuwingsdrift gaf die er bij het componeren-toen geweest
moet zijn.
Murphy c.s. gingen hier een fusie aan met een ensemble jazzmusici
die hetzelfde deden met de oer-jazz van New Orleans.
(...)
En dan staat er zelfs een nieuwe kleine held op. De 17-jarige
Ben van Gelder, opgevoed tussen de platen en cd's van zijn
vaders Swingmaster-zaak in Groningen, en bezeten van de
bop. Solo's vol structuur, harmonische vindingrijkheid en
met gemak overeind blijvend tussen al die musici van twee,
drie generaties ouder.
Doorgroefde rotten als Ferdinand
Povel en John
Engels stonden er van genoegen bij te grijnzen.
De Anton Philipszaal paste de programmering naadloos aan:
met de iets grótere sterren uit het Europese jazzleven.
Mooiste concert van die eerste dag kwam van de Pool Tomasz
Stanko, hier de laatste tien nooit gehoord maar iemand die
je de Miles Davis van de Europese jazz kan noemen.
Wat een gevoel, wat een beheersing en wat een heerlijke
zoektocht langs ideeën en emoties met een kwartet van
verrassende, jonge Poolse jazzmusici.
Als het vandaag bij de tweede dag aan het Spui zo doorgaat,
heeft Den Haag definitief een nieuw Kwaliteitsfestival.
Dat
bedacht ik, dat ik Zou Kunnen Schrijven.
In de Haagsche Courant anno 2006.
Zonder ook maar het flauwste vermoeden dat me nóg
een verdriet wachtte.
Dat de Haagsche Courant dan zeer waarschijnlijk Niet - Meer
- Bestáát.
North
Sea Jazz wordt opgevolgd.
Hosanna.
Over de naam van de opvolger wordt nog verder nagedacht.
Een suggestie:
Heren, wat dachten jullie van, heel simpel, The Hague Jazz
& World festival?
Over
de naam van die nieuwe krant die er moet komen, wordt ook
nagedacht.
Ik denk niet dat ze voor een suggestie bij míj zullen
aankloppen.
Ik zou het trouwens niet weten.
Voor mij dient een krant in Den Haag gewoon Haagsch te heten.
Sorry
Michael Varekamp en bentgenoten.
Ondanks jullie plan, blíjf ik dus een geplaagd mens.
(NB:
Deze column werd uitgesproken toen nog niet bekend was dat
die nieuwe krant AD Haagsche Courant zou gaan heten. Maar
die naam verandert niets aan de teneur van de tekst. BJ)
Geen kloon zijn van iemand? - HC - 02-07-05 - NORTH
SEA JAZZ
En
toen was er weer een jazzsaxofoniste bij. We hadden al Carolyn
Breuer die hier studeerde, maar terug ging naar Duitsland.
Tineke Postma maakte twee cd's en gaat straks Amerika veroveren
in de band van drummer Terri Lynn Carrington. En dan is
er Susanne Alt. Ze nam met haar kwartet net een cd in eigen
beheer op (Nocturne) waarvan ze er in korte tijd al vijfhonderd
- en dat halen sommige sterren niet eens - verkocht via
haar website, jazz-speciaalzaken en optredens. Ze debuteert
nu op North Sea Jazz. Ik kom er al tien jaar en nu sta ik
er zelf met mijn eigen band. Een geweldige eer.
Susanne
Alt: Ik wil muzikaal heel breed zijn. In de praktijk moet
je ook wel. Er komen steeds meer muzikanten bij.
Susanne Alts eerste cd valt op door verrassend eigen werk:
emotionele stukken naast goed in het gehoor liggende, groovy
thema's. Ze denkt al aan een opvolger: Daarop wil ik meer
met de elektrische piano, Fender Rhodes, gaan doen, zegt
ze, maar niet commercieel. Dan word ik onmiddellijk vergeleken
met Candy Dulfer en dat heb ik tot nu toe maar weinig gehoord.
En daar ben ik blij om. Ik vind Candy hardstikke goed, maar
het is allemaal wat overgeproduceerd.
Susanne Alt komt uit Wurzburg en begon daar sax te spelen:
Vonden de jongens heel stoer en die vroegen me of ik mee
wilde gaan naar workshops in de buurt, in Erlangen.
De eerste keer daar was ik veertien of vijftien jaar. Toen
wist ik dat ik muziek wilde studeren. De tweede keer ging
ik denken aan jazz. En de derde keer wist ik het zeker.
Ze won er een competitie voor jong talent, kreeg er een
beurs en op advies van een Duitse trombonist ging ze in
Amsterdam studeren. Mijn ouders geven allebei muziekles;
vader componeert en schrijft gedichten, moeder geeft gitaarles.
Ze hebben me meteen geholpen. We letten niet op je keuzes,
maar als je kiest, moet je consequent zijn en doorzetten,
vonden ze. Ze zijn verre van rijk, maar mijn moeder is extra-lessen
gaan geven om mij hier in Amsterdam te steunen.
Ze had er les van onder anderen Ferdinand
Povel en Jasper Blom, daarna ging ze naar Berlijn om
bij Peter Weniger verder te studeren. Op haar cd staat een
opdracht aan hem Thanks for making me compose. Ik had hier
alle basisdingen geleerd, jammer dat het vaak niet zo persoonlijk
was, maar dat is onmogelijk als je met vijfentwintig saxofoonstudenten
bent. In Berlijn waren er maar zes. En Weniger is echt een
pedagoog, dat maak je niet meer mee. Hij heeft me verboden
om standards te spelen. Voor mijn examen moest ik van hem
mijn eigen stukken schrijven.
Het hielp haar in het ontdekken van die eigen stem. Ze wil
niet negatief zijn over haar conservatoriumtijd, maar ze
heeft wel kanttekeningen: Een nadeel is dat er een soort
muziek de boventoon voert: wat tussen 1940 en 1958 gemaakt
is, is goeie muziek. De rest is allemaal onzin. Dat is gevaarlijk.
Ik wil juist heel breed zijn en in de praktijk moet je ook
wel. Er komen steeds meer muzikanten bij.
Haar eigen smaak is ook breed. Ze hoorde Joshua Redman in
Paradiso in Amsterdam: Waanzinnig goed, hij is mijn held.
Heel diep van intensiteit en vol soulelementen.
Ik houd ook van Maceo Parker en van oude dingen als het
werk van Cannonball Adderley. Michael Brecker vind ik steeds
mooier spelen en dieper gaan. Ik kan ontzettend genieten
van iemand die heel goed bebop speelt. Ik hoor niet bij
de BIM-huis-gemeente die zegt dat het stoffig is. Stoffig?
Het moet goed zijn, maakt niet uit of het bebop is of free.
Maar ze luistert ook naar de hiphop van Snoop Dogg en in
het najaar is ze te horen in de theatershow van Ivo Niehe.
Nog een stap verder bij zichzelf kwam ze via een vriendinnetje
uit Duitsland dat kwam aanzetten met een bandje dat ze destijds
in Erlangen had opgenomen. Ik zat er met tranen in mijn
ogen naar te luisteren. Ik speelde daar nog zonder na te
denken, funky, helemaal Maceo, knallen! Toen dacht ik: het
wordt niks als ik alleen mijn leraren geloof. Ik moet mijn
eigen ding doen, anders word ik zo?n kloon van iemand. Ik
weet dat ik niet de beste saxofoniste van de wereld ben.
Maar wat maakt dat uit? Ik wil mensen verblijden, mezelf
verblijden. Het heeft niets met arrogantie te maken dat
ik op dat podium wil staan. Ik wil het naar mijn zin hebben
en ben bereid daarvoor te werken. Ik wil spelen.
Je
zou het de tweede doorbraak van Rob van Kreeveld kunnen
noemen. Ook al klinkt dat vreemd voor een pianist die nooit
uit de muziek weg is geweest. Hij geeft en gaf les als docent
aan de conservatoria van Rotterdam en Den Haag, maakte furore
als jarenlange begeleider van cabaretier Paul van Vliet,
schreef de muziek van tientallen cabaretliedjes - 'Veilig
achterop, bij m'n vader op de fiets', 'De zee' en 'Meisjes
van dertien' - was in zeer uiteenlopende jazzcombinaties
te horen. Maar een eigen plaat of cd, als leider van een
groep, had hij nooit gemaakt. Ja, er was een solo-opname
in de serie Jazz at the Pinehill waarin een aantal Nederlandse
jazzpianisten zich in hun eentje mochten uitleven. Maar
pas in het jaar dat Van Kreeveld 62 gaat worden, zijn er
opeens twee cd's: 'Alone together' en 'Together alone'.
De eerste met alleen percussionist Jeroen de Rijk als tegenspeler,
de tweede met een kwartet met vibrafonist Frits Landesbergen.
Toch gek, voor een man wiens naam je als leraar en inspirator
tegenkomt in talloze biografietjes van jonge pianisten die
inmiddels in cd's grossieren.
Vijftien
jaar schaven
"Ik
heb mezelf altijd meer een side-man gevoeld. En een goede
side-man is kostbaar en moeilijk genoeg", zegt Van
Kreeveld. "Wel veel met trio opgetreden, maar nooit
iets vastgelegd. Ik had nog wel eens de stille hoop dat
't ooit zou gebeuren, maar ik heb er zelf nooit hard aan
getrokken. Ik heb de laatste vijftien jaar veel aan mezelf
zitten schaven. Om mezelf in een aantal opzichten te vernieuwen,
m'n oren open te zetten voor eigentijdse stijlrichtingen
in de jazz. Maar het is vibrafonist-drummer Frits Landesbergen
die me over de streep getrokken heeft. Die heeft gezegd:
en hup, nu gaan we aan de gang, verzamel je goeie stukken,
schrijf wat op en wij spelen 't".
"Hij is misschien wel de mooiste jazzpianist in ons
land", had bastrombonist René
Laanen al eens over Van Kreeveld gezegd. Landesbergen
stuurt me de door zijn Baileo Music geproduceerde opnames
van Van Kreeveld met een kattebelletje 'Hier zijn de cd's
van The Legend'. En percussionist Jeroen de Rijk - op zijn
verjaardag gestoord voor fotomateriaal van de pianist -
zegt: "Voor beschuit en Van Kreeveld mag je me altijd
wakker maken". Tekenend voor het respect dat er is
voor de man die geen lelijke noot kán spelen.
"Het is een beetje gaan rollen met de cd van de groep
First Moves" vertelt Van Kreeveld. "Een groep
die hoofdzakelijk fusion speelt, muziek uit de hoek van
Weather Report, Mike Manieri en Joe Zawinul. Jimmy Haslip
van de Yellow Jackets speelde er electrische bas op, Leonardo
Amuedo gitaar en Isaline Callister zong. Toen is er dat
effect van een sneeuwballetje ontstaan. En nu komt er een
tournee naar Japan aan met Dim Kesber en Friends en staat
er een concert in het Amsterdamse Concertgebouw op stapel".
Tweede
jeugd
Een
tweede muzikale jeugd, lijkt het, voor een pianist van de
generatie die de jazz helemaal zelf moest leren. Een jazzopleiding
was er niet, Van Kreeveld zou later zijn solistendiploma
halen bij zijn klassieke leermeester Theo van der Pas en
heeft aan die studie wel een grote - en vaak hóórbare
- liefde voor de klassieke muziek overgehouden. Brahms in
de eerste plaats, Bach, Ravel en Debussy. Maar de jazz kwam
toen hij als jongen op de radio Oscar Peterson en Ray Brown
hoorde in Jazz at the Philharmonic-opnames. "Dat greep
me zo aan, daar was ik helemaal van ondersteboven. Dít
is mijn muziek, dacht ik", herinnert hij zich. "Een
vriendje op de mulo kwam met platen bij me langs, die hij
van z'n vader thuis niet mocht draaien. Errol Garner, George
Shearing, de eerste West Coast-opnames. Ik had toen de gebruikelijke
pianoleraar, maar voor jazz moest je alles op je gehoor
doen. Luisteren in jazzclubs, zoals naar Frans Elsen en
Rob Madna in het Achterom. Daar was ik elke zondag te vinden.
Oren wagenwijd open: Goh, wat een mooie akkoorden speelt
Frans nu, wat zou dat zijn?"
Z'n eerste 'schnabbel' had hij op z'n vijftiende, vijf gulden
kreeg hij ervoor. Een paar jaar later speelde hij - als
Pia Beck vrij of op tournee was - in De Vliegende Hollander:
"En dan kom je daar het fenomeen John Engels op drums
tegen. Ongelooflijk wat die speelde. Ik weet nog wat een
drummend vriendje zuchtte, nadat hij John gehoord had: 'Ik
denk dat ik m'n trommelvel maar in stukken snijd. Ik kap
ermee'."
Dertig
liedjes
Toen
kwam Paul van Vliet en Pepijn. "Een prachtige tijd.
Paul is een groot vakman en hij heeft me discipline geleerd.
Je dienstbaar opstellen. Niet altijd de solist willen zijn
met vier chorussen in een stuk. Soms krijg je helemáál
geen solo. Paul was een groot jazzliefhebber en vond 't
leuk als ik de muziek doorspekte met jazzakkoorden. Later
werd dat 't minder, maar in de beginjaren vond-ie 't prachtig
als ik lekker zat te swingen". In die periode schreef
Van Kreeveld zo'n dertig liedjes, ook enkele voor cabaretier
Fons Jansen. "Dat 'Meisjes van dertien' werd een soort
hit, daar verbaas ik me nog over. Dertig jaar oud en nog
steeds actueel. Corry Brokken zong 't, Willeke Alberti zong
't. Pianiste Amina Figarova heeft er kortgeleden een septetversie
van gemaakt. Het zou een jazzballad kunnen zijn, er zitten
jazzakkoorden, jazzprogressies in. Ja, daar heb ik met veel
plezier aan gezeten. Die liedjes, dat componeren? Soms ging
't vlot, soms niet. Dan moest 't klaar en stond je zwaar
onder druk. Gezonde spanning. Maar het is zoals Arthur Rubinstein
eens zei: 'Fear for every concert is a prize I have to pay
for a wonderful life'."
Interview
gemaakt ter gelegenheid van optreden First Move: Frits Landesbergen
(vibrafoon), Tom Beek (tenorsax), Peter Tiehuis (gitaar),
Rob van Kreeveld (keyboard), Theo de Jong (basgitaar), Jeroen
de Rijk (percussie), Hans Eijkenaar (drums). Op 14 februari
2004
De tien seconden gratie van Michael Brecker
- door
Bert Jansma
Michael
Brecker is geen groot prater. Hij slaakt nauw verholen zuchten
wanneer hij de dingen verbaal op een rij moet zetten. Laat
zich afleiden door een zacht jankje van zijn zwarte labrador
Jay, die het niet haalde als blindegeleidehond en kortgeleden
lid van de familie is geworden.
Niet dat Brecker niet wil. Integendeel. Hij bewondert mensen
die het wel kunnen. Zoals gitarist en vriend Pat Metheny:
"Die kan zich zo goed concentreren, die is onverstoorbaar".
Bewondering is een kwaliteit die de jongste van de twee
broers Brecker nog altijd heeft. Ondanks dat hij zelf de
meest invloedrijke jazztenorist van zijn generatie is. En
waarschijnlijk de meest opgenomen jazzsaxofonist op deze
aardbol. In een diversiteit (rock, fusion, met Paul Simon,
met zangers als James Taylor, jazz) die verbazend is. Met
een wat donkere, nerveuze klank die op zijn net uitgekomen
cd, 'Nearness of you' met grote intensiteit tot rust komt
in een serie ballads.
Voor Michael Brecker moet je eigenlijk bij zijn muziek zijn.
Hij is gevleid door aandacht, geeft je alle tijd op de grote
veranda van zijn fraaie huis in koloniale stijl in het landelijke
Hastings on the Hudson, vlak boven New York City, en uitkijkend
over de rivier. Nee, helemaal niet erg dat hij de baseballwedstrijd
van zijn zoontje mist. Zijn vrouw zal namens hem langs de
lijn zitten. Wanneer ik weg ga, strijkt hij me nog een paar
keer amicaal over de rug. Het heeft iets van 'we hebben
't in elk geval geprobeerd. Sorry, dat ik maar geen open
boek kan zijn'.
Pratend met Michael Brecker kom je altijd bij John Coltrane
terecht. "Hij en zijn kwartet hebben mij de jazzmuziek
in gedreven (Brecker zegt 'propelled me into the music',
nog sterker. Red). En die muziek grijpt me nog altijd aan.
Nu, terugkijkend, wetend dat Coltrane zo jong stierf, is
het nog verbazender en indrukwekkender hoe groot het muzikale
gebied is dat hij bereisde. Een groot vernieuwer".
Zelf rekent hij zich niet tot die klasse. En dat is bij
hem geen valse bescheidenheid.
Michael Brecker koos Pat Metheney als gitarist én
als producer van die laatste cd. "Ik ben met Pat, met
drummer Jack de Johnette en bassist Charlie Haden op tournee
geweest. En toen is het idee ontstaan voor een cd met alleen
maar ballads. Een plaat met een grote intimiteit, om bij
weg te dromen. Maat tegelijkertijd moest er een hoop muzikale
informatie zijn, het moest een jázz-cd blijven. Ik
heb Pat gevraagd de productie te leiden, en dat ging fantastisch.
De beste ervaring die ik ooit bij een studio-opnames heb
gehad. Hij mag m'n verdere leven alle platen van me produceren.
Drummer Jack de Johnette, 'kills me'. En ik weet niet waar
Herbie Hancock op de piano de noten en akkoorden vandaan
haalt. Ik heb tegenover hem nauwelijks helder uitgesproken
wat ik wilde, hoe ik het voelde, maar hij dééd
't. En hij laat je zoveel ruimte".
Het is waar het om gaat bij Michael Becker. De momenten
van een gezamenlijke intensiteit van verschillend geaarde
muzikale karakters. "Dat blijft een onderdeel van de
schoonheid van jazz. Die communicatie op dát moment.
De enige kunstvorm die die bijzondere kwaliteit heeft. Volledig
improviseren voor een publiek". Het dwingt je bijna
tot de vraag wat daarin zijn mooiste momenten waren. "Ik
heb een hoop muzikale herinneringen waarvoor ik dankbaar
ben. Zeker deze laatste cd, want ik heb zelden zo'n goed
gevoel over iets gehad". Ver vooruit denken, doet hij
niet. "Je bent geneigd dat wel te doen, maar dan corrigeer
ik mezelf, ik denk dat het fout is. Ik ben gewoon niet goed
in ver vooruit denken. Ik ben beter op de korte termijn,
zelfs de heel korte".
Op die korte termijn staat hem heel wat te wachten. Een
Coltrane Tribute met het orkest van Jon Faddis in New York,
daarna in Montreal vijf avonden met steeds een andere groep:
Met o.a. Joey Calderazzo, duetten met Charlie Haden, een
avond solo sax, een avond met Steps Ahead. Dan naar Moskou.
En het North Sea Jazz Festival. "Ongelooflijk hectisch,
echt het grootste festival ter wereld, verbazend goed geplanned.
Het valt in een tijd dat je nauwelijks aan slapen toekomt.
Maar voor ons muzikanten is het ook 'fun'. Omdat je er iedereen
eindelijk weer eens ziet, daar in dat Bel Air hotel".
Op het North Sea Jazz Festival speelt hij met zijn broer
Randy Brecker. Hij informeert nog even naar wáár
hij speelt. "O gelukkig, de PWA-zaal. Ja, want dit
is de eerste keer met mijn broer dat we akoestisch spelen.
Dat is beter op z'n plaats dáár. We doen stukken
van mijn cd, Randy zingt misschien nog wat van zijn laatste
cd 'Hangin'in the city'. We weten 't nog niet precies".
Hij grijnst wat vermoeid bij de opsomming van wat er allemaal
aan komt, maar het brengt hem ook tot een serieuze, zacht
geuite conclusie: "Er zijn momenten dat ik denk: beter
kan 't haast niet worden".
En de jazz zelf? "Jazz kan dan soms marginaal lijken
voor een groter publiek, er zijn een hoop nieuwe talenten.
Jazz is hier onzichtbaar op de televisie, op die grote documentaire
van Ken Burns via de Public Broadcasting na.
Maar de muziek is sterk en levend. En de muziek verandert
nog steeds. Of er nog een grote vernieuwer als Coltrane
opstaat? Wie weet. Talent genoeg. Een gitarist als Kurt
Rosenwinkel, hij komt uit de traditie, maar hij speelt lijnen
die behoorlijk nieuw en anders zijn. Niet iedereen is het
met me eens, maar ik denk dat de taal van de jazz nog lang
niet is uitgeput. Er is nog altijd ruimte voor groei. Ja,
binnen de limieten zoals wij die kennen".
Naar zijn eigen spel luistert hij niet. Liever niet. Zeker
niet bewust "Ja, soms, in de auto, of bij vrienden,
als er toevallig iets van mij via de radio klinkt. Dan zijn
er tien seconden dat ik niet weet wie er speelt, vóór
ik me realiseer dat ik 't ben". En er breekt opeens
een mooie lach door bij Michael Brecker: "Dat zijn
mijn tien seconden van gratie".
Interview
HC Bijlage North Sea Jazz 2001
KEITH
JARRETT
- door
Bert Jansma
'Het
is beangstigend en eenzaam, daar alleen'.
Na
twintig jaar is Keith Jarrett voor het eerst weer terug
met zijn trio in Den Haag. In een speciaal concert voor
het dertigste North Sea Jazz Festival. Maar vraag de Horowitz
van de jazz niet hoe hij het vindt om terug te zijn. Goed,
hij wil dan voor die ene keer wel een interview, maar dan
wel serieuze vragen svp. De Maestro wil, net als aan de
piano, vooral Het Diepe in.
Keith
Jarrett is een fenomeen in de jazz. Met zijn trio kan hij
op een ongeëvenaarde manier de standards van de jazz
spelen. Alleen aan de piano heeft hij marathonlange solo-concerten
opgenomen, zoals het legendarische Köln-concert, die
tot de meest verkochte jazzplaten ooit behoren. Daar is
hij de guru, in extatische vervoering achter de vleugel.
Ineengedoken boven de toetsen, soms staand boven zijn kruk,
bijna orgastisch meekreunend met zijn muziek. Zijn fans
gaan mee in die trance, ogen dicht in de zaal en owee als
er iemand kucht.
Want Jarrett geldt als een lastig mens. Een Nederlandse
journalist stelde hem per telefoon vragen die hem niet bevielen
en Jarrett legde de haak er gewoon op. De journalist in
kwestie eindigde zijn interview dan ook met 'Tuut tuut tuut
tuut'. Werd er teveel gehoest in de zaal dan legde Jarrett
de boel plat. "En nu met z'n allen even uithoesten".
Interviews geeft hij zelden. Maar okay, voor dit speciale
North Sea Jazz-concert maakt hij een uitzondering. Maar
zijn manager heeft wel vooruit laten weten dat de ondervrager
breed geschoold diende te zijn in de muziek, de carrière
van Jarrett goed hoorde te kennen evenals diens laatste
dubbel-solo-cd, 'Radiance'. En absoluut geen vragen als
'Hoe vindt u het om na twintig jaar terug te zijn in Den
Haag'. Of: 'Welke jonge pianisten vindt u goed?'. En al
helemaal niet: 'Wat denkt u van de huidige jazzscene".
Bij Jarrett moet het dieper gaan. En wel over hém
Tijd voor een reis naar de oude boerderij waar hij in New
Jersey woont is er niet meer als de Maestro toezegt, dus
dan maar een telefoongesprek. Het worden vijftig minuten
praten die veel minder beladen zijn dan je tevoren zou denken.
Met hier en daar zelfs lachje. En met dezelfde bijna-zelfspot
die hij ooit in 1993 in het Amsterdamse Concertgebouw tentoonspreidde
toen er na de pauze opeens een hoest uit de zaal klonk.
Jarrett had net zijn handen boven het klavier. De zaal bevroor
hoorbaar. Jarrett keek op en zei met een kleine glimlach:
'Ah, you know my reputation'. Waarop de zaal met een bevrijdende
lach reageerde als een schoolklas die geen straf van de
meester heeft gekregen.
Angst
"Hoe
we in diepe gedachten verzeilen heeft een hoop te maken
met wat we van tevoren níet denken, en ik wilde de
muziek laten gebeuren zonder daar in diepe gedachten te
zitten. Ik wilde dat mijn handen (speciaal de linker) míj
verhalen zouden vertellen", zegt Jarrett over zijn
laatste in Tokyo en Osaka opgenomen solo-cd. De pianist
in vrijheid achter de vleugel, als een soort mystieke ontvanger.
Geen plan, geen program, geen akkoordenschema's, geen vast
tonaal centrum. Maar hoe schudt je alles wat je kent en
weet van je af? "Het heeft allemaal te maken met de
dag van de week, de condities om je heen, het hotel, je
voedsel, het weer. Hoe je dat allemaal ondergaat is een
deel van jouw voorbereidingen om vrij te zijn vóór
een concert", zegt Jarrett. "Maar het is bijna
onmogelijk om te beschrijven. Sommige dingen kan je controleren,
andere niet. Ik probeer voor een optreden uit de gevarenzone
te blijven". Jarrett lacht:. "Zo'n concert is
een gevaar op zichzelf. En ja natuurlijk is er angst, ja
dat is het goede woord. Het is beangstigend daar alleen.
En eenzaam. Soms zou je willen dat er daar iemand bij je
was. Als ik studenten had en die zouden willen doen wat
ik doe, dan zou ik zeggen: Bereid je erop voor dat je de
hele tijd bang bent". Zijn vrouw Rose Anne waarschuwde
hem toen hij na de periode waarin hij leed aan het chronisch
vermoeidheidssyndroom weer begon. "Het vraagt enorm
veel energie, bijna onmogelijk op je 59ste. Maar dat was
het eigenlijk al op m'n dertigste. Elke keer als je eraan
begint moet je naïef zijn. Onbevreesd en naief tegelijk."
Explosie
Dan
begint hij aan een uitgebreide zoektocht naar de verschillen
tussen oudere solo-concerten en zijn laatste, 'Radiance'.
"Vroeger dacht ik dat je vanuit het onderbewuste een
muzikale wereld kon creëren die van klein langzamerhand
naar een grotere toegroeide. Maar ik vergat daarbij dat
de wereld op een andere manier gebouwd is. Vanuit een explosie.
Als je naar de eerste 'track' van die nieuwe cd luistert
hoor je dat. Het klinkt alsof ik al aan het spelen was vóór
je de cd-speler aanzette. Tien jaar geleden, zeg maar tussen
mijn La Scala-concert en mijn ziekte, geloofde ik nog dat
leven een organisch continuüm was. Nu ben ik me gaan
realiseren dat het zeer, zeer snelle pulsen zijn die beslissen
wat we zien en zijn. Een snelle film, die als we 'm zouden
vertragen, een reeks kleine stukjes zou opleveren, digitaal
en analoog. Filosofisch gezien wilde ik alles van de werkelijkheid
muzikaal omvatten. Daarom ook is het concert verdeeld in
meerdere sets. Waarin elke wereld voortkomt uit die daarvóór".
En bijna verontschuldigend: "Het is een beetje gecompliceerd,
maar ik probeer steeds een filosofische basis te hebben.
Als je zó vrij speelt als ik, moet je ergens in geloven.
Ik zeg niet dat je moet geloven in een bepaald 'systeem',
maar als je zelf geen structuur hebt in wat je gelooft,
dan kan je niet doen wat ik doe zonder dat het 'bullshit'
wordt". Hij lacht er zelf verrassend om.
Ooit heeft hij tegen een verslaggever van Der Spiegel gezegd
dat ze die opnames van dat legendarische Köln concert
beter konden vernietigen. Zat alleen maar in de weg. Jarrett
beaamt het nog steeds. "Het is net als iets dat je
dertig jaar geleden gezegd hebt. Je moet wel oerstom zijn,
nooit je kamer uit geweest, nooit iets geleerd hebben, wil
je het na dertig jaar nog met jezelf eens zou zijn. Dat
bedoelde ik. Mijn cd 'Radiance' is wat dat betreft een Manifest.
Ik denk niet dat die muziek tijdgebonden is, zal verdwijnen.
Ik wilde dat gevoel over mijn opnames niet meer hebben.
Toen ik ze ben gaan terugluisteren, wist ik niet meer wat
er op stond. En ik had ook geen favoriet stuk. Want als
ik dat nú had gehad, zou 't over twintig jaar on-waar
zijn. Ik geloof dat dit anders is dan ik ooit met mijn werk
heb meegemaakt."
Reunie
In
Den Haag speelt Keith Jarrett met dat befaamde, subtiele
en perfect uitgebalanceerde trio met bassist Gary Peacock
en drummer Jack de Johnette. Ander verhaal. Of toch niet?
Jarrett: "We weten nooit wat we gaan spelen. In het
algemeen spelen we jazz-standards. Maar het hangt af van
de sound check, van de akoestiek van een zaal. 'Inside Out'
in Londen werd een vrije spiraal van klank omdat het geluid
in die hal te slecht was om iets te spelen dat heel precies
was en ook zo gehoord moest worden. In het vliegtuig ga
ik wel eens naar Jack toe en zeg hem wat ik denk dat er
in een concert gaat gebeuren. Maar als het idee op het toneel
bij de soundcheck niet werkt, dan raken we 't niet meer
aan. Het verschil met het trio is dat ik de leider ben en
wat informatie moet geven". Lachend: "Ook aan
mezelf Of Gary zegt: 'Keith, is dit het goeie akkoord? Want
de laatste keer speelde je hier een ander'. Gary, zeg ik
dan, je zult best gelijk hebben, maar ik kan je niet zeggen
welk akkoord ik vanvond zal spelen".
Zijn trio is al sinds begin jaren tachtig samen en het wordt
steeds beter, vindt Jarrett. "Het is nu elke keer als
een soort reunie. We spelen niet het hele jaar samen, alleen
in de grote zomertournees. Dus alles blijft fris. Er zijn
maar een handjevol songs die je als trio altijd wilt blijven
spelen. Omdat ze steeds anders kunnen zijn. Gary Peacock
was verbaasd toen hij hoorde dat ik alle teksten van die
standard-songs ken. Daardoor heb je een concept, begrijp
je wat de sleutelzinnen zijn, waar iemand z'n liefde kwijt
raakt, waar de ontknoping zit. Die standards zijn het prisma
waardoor je ons kan ervaren. Daarom spelen we die oude bekenden
nog steeds. De wereld is zo gek geworden dat je geen platencontract
meer krijgt als je geen eigen songs schrijft. En hoeveel
mensen schrijven werk dat de moeite waard is?"
Eén zo'n cd met standards neemt een speciale plaats
in binnen Jarretts werk, 'The melody at night with you'.
Alleen aan de piano klinkt hij verbazend simpel en breekbaar.
Jarrett: "Ik had toen dat 'chronic fatigue syndrome',
ik kon de deur niet uit en het was Kerstmis. Ik had geen
cadeautje voor mijn vrouw. Dus ik heb 't toen alleen in
mijn studio thuis opgenomen. Elke keer een stukje, want
meer kan je dan niet opbrengen. En het daarna ingepakt als
een kerstcadeautje."
Een cd zónder kuchjes in elk geval. Op 'Radiance'
staan wél een aantal Japanse hoesten uit de zaal
geregistreerd. Hoe zit dat, meneer Jarrett? "Ik heb
ze er eerst uit willen halen, maar dat werkte niet. Ik besefte
dat die kuchjes er gewoon bij hoorden. Ik heb het bassist
Gary Peacock verteld, die studeert om Zen-monnik te worden.
'Wat?', zei die. 'De kuchen terug? Dan ben je nog meer Zen
dan ik."
Keith
Jarrett, Gary Peacock, Jack de Johnette:
Special 30th anniversary concert. North Sea Jazz Festival,
PWA-zaal, 6 juli 2005.
Wát
een vogel, John Engels. Al vijftig jaar hanteert hij de
stokken achter z'n drumstel en hij is nog niet stil te krijgen.
"Ik moet spelen", is het eerste wat je van hem
hoort. "Ik haat pauze's. Laatst weer met een paar muzikanten:
'Moeten we niet even pauze houden?' Wát nou pauze?
Voor wie? Pauze heb je in je kist".
Veel pauzes zijn er niet geweest voor John Engels jr (1935).
Lauweren heeft hij genoeg gehad. Een Bird Award (de allereerste),
de Boy Edgarprijs, Ridder in de Orde van de Nederlandse
Leeuw, net nog de Meer Jazz Prijs 2003. Lauweren genoeg,
maar hij is er nooit op gaan rusten. En zijn vijftigjarig
jubileum? "Ik zie 't allemaal wel, ik ben niet van
het type dat iedereen daarover gaat bellen. Dat vind ik
getreutel. Ik speel gewoon".
Dat hij ongewoon góed speelt, weet inmiddels de hele
jazzwereld. Ook internationaal. Bij hem thuis foto's uit
Amerika met drumcoryfeeën als Mel Lewis, Elvin Jones,
Louie Bellson, Johnnie Engels tussen hen in. Aan de muur
foto's en een portret in gips van wijlen Chet Baker. Hij
maakte twee tournees door Japan met de trompettist en hij
krijgt nog altijd tranen in z'n ogen als hij er aan denkt.
"Hier, op die dubbel-cd, dat stuk 'Seven steps to heaven'.
Dat zette hij zonder iets af te spreken, zomaar in tijdens
een tv-uitzending in Tokyo. En natuurlijk, alles kan altijd
beter, maar hoe hij dingen dan oplost. En hoe we in één
klap samen vallen". Jazz noemt hij een vorm van telepathie:
"Exact aanvoelen wat een ander denkt en wil".
Hij kreeg het thuis met de paplepel in. Vader John Engels
was drummer. Nam zijn zoontje mee naar de concerten van
Jazz at the Philharmonic in Rotterdam. Junior: "Ik
werd er voorgesteld aan mensen als Ray Brown, Max Roach.
Roach z'n snare drum viel om tijdens het concert. Hij loste
het op met bass drum en high hat: Toe tssjjj, toe tsssj.
Vergeet ik van m'n leven niet. Toen wist ik dat ik muziek
wilde maken".
Vader Engels dacht er anders over, die wist dat jazz niet
betekent dat er gegarandeerd brood op de plank ligt. Ga
maar een vak leren, zei die. Maar Johnny Engels wilde naar
het conservatorium in Den Haag. "Ik ben er twee keer
geweest. De eerste en de laatste keer. Klinkt allemaal leuk,
zeiden ze. Maar je bent links. Je moet rechts leren spelen.
Toen ben ik weg gegaan". En hij begon links als zeventienjarige
aan die carrière die hem langs alle clubs van Europa
zou brengen, samen met zo'n beetje iedereen die aan jazz
geroken heeft. "Ik ging toen naar de Surinaamse saxofonist
Kid Dynamite, als enige blanke jongen in een zwarte band.
Met hem kwam ik in de Tabu in Düsseldorf terecht. Speelden
daar alle jongens uit de Lionel Hampton band. Art Farmer
blies er mee. Vijfentwintig jaar later zou ik concerten
met hem geven. In 1953 speelde ik in Wenen. De pianist werd
ziek, en weet je welk lokaal pianistje er toen in viel?
Joe Zawinul. 'Ik ga volgende week naar New York' zei hij
nog. En hij is in Amerika gebleven".
John Engels interviewen is eigenlijk onbegonnen werk. Hij
grijpt in de stapel cd's: "Wat wil je horen".
En als er iets klinkt, valt hij stil. "Ja, dan ga ik
luisteren, dan kan ik niet praten". Hij schiet van
de hak naar de tak, van dat jonge saxofonistje van veertien
dat hij net gehoord heeft, naar herinneringen aan al die
'vogels' (centraal woord in zijn vocabulaire) met wie hij
speelde. Leidt je door zijn huis, waar in de huiskamer,
de kelder en de kast de drumstellen staan opgestapeld. Bergen
cd's, rekken vol platen, een rijstebrijberg aan bandjes,
kasten die boordevol jazzvideobanden zitten. "Vannacht
nog naar een band met Mulgrew Miller zitten kijken, niet
te geloven", zegt hij opgewekt, "maar waar hèb
ik die nou? Een puinhoop is het, jongen. Ik zoek een aardige
dame om dat allemaal een keer bij te houden, zet dat maar
in de krant. En ik heb eigenlijk ook een discografie nodig.
Hilde, de vrouw van pianist Cees Slinger heeft er 'ns eentje
voor me gemaakt. Maar er is zoveel bijgekomen. Ik heb een
hoop cd's in het buitenland gemaakt. Die héb ik niet
eens zelf".En als je toevallig een instrument bespeelt,
meenemen naar het gesprek alsjeblieft. Dan kan je in het
sousterrain nog wat 'jammen' met John. "Maakt niet
uit of de een beter speelt dan de ander", zegt hij
genereus. "Het gaat om 't speelplezier. De liefde voor
de muziek, die is belangrijk".
Vader Engels drumde, zoon mocht niet maar deed 't toch ("toen
ben ik 't huis uitgegaan"), broer Rob drumt, zus Truus
drumt. En nog enkele van de elf kinderen Engels (oorspronkelijk
dertien, twee ervan overleden) doen aan muziek. "Drummen
zit bij ons in de genen" lacht hij. Chet Baker noemde
hem een natuurtalent. Wynton Marsalis zei van John Engels
'he is a natural drummer'. Geboren met stokken en brushes.
En wat voor jazz hij speelt, maakt niet uit. "Ik moet
een verhaal horen. Of ik nu Armstrong hoor, of Ellington,
of Bix Beiderbecke, ik krijg er nog steeds kippenvel van.
Als je muziek maakt, gaat er een ander bewustzijn werken.
Je komt op een ander 'level'. Maar helaas word je na de
laatste noot weer teruggeschopt". Hij grijnst: "Daar
moet je 't mee doen".
Hij zorgt er in elk geval voor dat hij vaak op dat 'level'
zit. Of hij nu een concert speelt, of mee komt jammen, ergens
in Nederland. 'Schnabbels' bestaan niet voor hem. Alles
is even belangrijk: "Ik heb niet de instelling van:
ik pik dat wel even mee. Sorry, dan ben je bij mij aan het
verkeerde adres. Stel je voor dat er iets gebeurt, dat 't
je laatste concert is? En dat je dan zo maar een beetje
zit te spelen. Bij mij is 't geen honderd procent, maar
tweehonderd procent". Hij stapt in de auto, rijdt van
Amsterdam naar Rotterdam, drinkt geen druppel, krijgt z'n
gage betaald en rijdt in de nacht weer terug naar z'n huis
in de Amsterdamse Watergraafsmeer. "Dat is 't geheim",
zegt hij, "muziek houdt je jong. Kijk maar een man
als Elvin Jones, 76 en nog altijd een werelddrummer".
En hij geniet. Van dat recente concert van Wayne Shorter
met Brian Blade en John Patitucci. "Ik was helemaal
kapot. Ik ben met mensen naar een caféetje gegaan,
maar ik kon geen woord meer zeggen. Zó goed".
Allermooiste momenten? John Engels zegt 't simpel: "Muzikaal
is 't die vijftig jaar eigenlijk mooier geweest dan ik ooit
had kunnen denken". Chet Baker. "Hij zat niet
aan die rommel, kreeg z'n embouchure weer terug en elke
dag dat we speelden, groeide het tussen ons". Die filmmuziek
samen met Archie Shepp. En de blues, een avond lang met
zanger Jimmy Witherspoon: "Een van die legendarische
avonden. 't Einde! Vergeet ik nooit van mn leven".
De blues, we zijn er weer. Engels: "Ik sta voor alle
muziek open. ook vrije muziek. Al vind ik dat de jazz af
en toe de richting van de Olympische Spelen op gaat. Al
die noten. Maar ik móet die blauwe noten horen. Anders
is er iets mis. Er wordt vaak wat gemakkelijk over de blues
gedacht, maar een goeie blues is potverdikkeme het moeilijkste
wat er is. Weet je wat ik 't mooiste zou vinden? Dat ik
een blues zit te spelen en dat ze me dan naar boven halen".
Interview
voor HC Bijlage North Sea Jazz 2003
WAYNE SHORTER - door Bert Jansma
Een
ontdekkingsreis die niet ophoudt
'Bij Miles voelde ik me een cello, een viola'
Jaren
geleden alweer. Tuin Paviljoen van het North Sea Jazz Festival.
Miles Davis kondigt een volgend stuk aan. Geschreven door
Wayne Shorter. Groot applaus. Miles grijnst met een blijheid
die je niet zo vaak bij hem zag. "You like Wayne Shorter?",
vraagt hij zijn publiek met die hese stem. "Me too".
Alle muzikanten houden van Wayne Shorter. Zeventig is hij
nu, hij heeft een wonderbaarlijke reis door de jazzmuziek
gemaakt. Een reis die nog altijd niet af is. Net is zijn
nieuwste studo-cd uit, 'Alegría'. Opgenomen vóór
zijn recente - en allereerste - live-cd 'Footprints waar
hij divere prijzen voor kreeg. En op 26 maart zal hij een
concert geven in het Concertgebouw met zijn nieuwe kwartet.
Miles Davis was niet altijd zo lief voor Shorter. Shorter
had - we praten 1959 - van John Coltrane gehoord dat die
weg zou gaan bij het kwartet van Miles. 'Die plek is voor
jou', zei Coltrane tegen Shorter. Shorter belde Miles. De
enige korzelige zin die hij terugkreeg was: "Als ik
een tenorsaxofonist nodig heb dan zoek ik die zelf wel".
Einde gesprek. Pas jaren later zou het weer opgepakt worden.
Shorter zou eerst in de big band bij Maynard Ferguson spelen,
op aanbeveling van Joe Zawinul. Een invalbeurt bij Art Blakey's
Jazz Messengers leverde hem daar de vaste tenorplaats op
en met trompettist Lee Morgan vormde hij de mogelijk scherpste
frontlijn die de band ooit had. Hij werd er 'musical director'
en hij zou vijf jaar lang het geluid van de band bepalen.
In 1964 wist de trotse Miles Davis zélf Shorter te
vinden. En bij hem vond Shorter een nieuwe richting: "Iedereen
hoorde 't verschil. Het was niet meer de pang-boem, er tegen
aan routine die we met Blakey speelden. Met in elke solo
een climax. Bij Miles voelde ik me een cello, een viola,
ik voelde me vloeibaar, de kleuren begonnen te komen".
Schilderen
Kleuren
spelen een belangrijke rol wanneer Shorter over zijn muziek
praat. Hij ziet kleuren, hij heeft dromen, hij ziet filmbeelden.
Zijn hele leven lang heeft hij geprobeerd jazz te verruimen,
of het nu in de voorhoede van Weather Report was, in fusion,
of op die laatste cd's. "Ik wil een 'sound' creëren
die mensen horen als ze slapen, geluiden die rijk zijn aan
emotie" zegt Shorter. "Ik wil schilderen".
En over een arrangement op Álegría: "Ik
hoor daar een fagot, en daar een french horn. Die twee moeten
botsen, samen blijven klinken, als schuurpapier tegen elkaar".
Hij imiteert dat geluid met zijn mond. "En dan de melodie.
Het moet ongrijpbaar blijven. En dan vraag je je af: redden
de musici dat? Wat doen zij ermee? Muziek maken is risico's
nemen. Wat je neerschrijft verandert, blijft nooit hetzelfde.
Leven fluctueert ook. Tussen het constante en de verandering
krijg je de dimensie diepte".
Altaartje
We
zitten in een Amsterdamse hotelkamer. Op het salontafeltje
een Boeddhistisch reisaltaartje. Shorter had het een aantal
jaren geleden al bij zich, in het Hilton hotel. Toen nog
met zijn Portugese vrouw Ana Maria. Zij had hem bij dat
Boeddhisme gebracht. "Boeddhisme helpt" vond Shorter,
"het is een onderzoek naar ons eeuwig bestaan".
Het hielp het echtpaar over de dood van hun enige kindje,
Iska, veertien jaar oud, gestorven aan een hersenbloeding.
Zijn vrouw Ana Maria (47) zou, niet lang na dat gesprek,
verongelukken met het vliegtuig naar Portugal, TWA vlucht
800. De reis was hun cadeautje voor haar nichtje dat in
Amerika afgestudeerd was in kunstgeschiedenis en in Portugal
oude meesters zou gaan bekijken. Shorter ziet de foto van
hem alleen op die Amsterdams hotelkamer bij het artikel
destijds in deze krant, en zegt: "Waar ben je?"
Zonder naam, tegen háár, simpelweg, zonder
drama. Op 'Alegrïa' speelt hij een stuk van Leroy Anderson,
'Serenata'. Nogal ongewoon, de romantische Leroy ('Blue
tango') Anderson in een jazz-zetting. Shorter: "Dat
stuk heb ik voor het eerst gehoord toen ik zestien was.
En op een gegeven ogenblik zit Ana Maria thuis achter de
piano en speelt het. 'Hé, ken jij dat ook?', zeg
ik verbaasd. Zij was zestien jaar jonger dan ik, dus ik
hoorde 't voor het eerst toen zij geboren werd. Toen zij
overleed, wist ik, ik móet daar iets mee doen.Vandaar
dat ik het nu heb opgenomen. Zonder opdracht voor haar erbij.
Hoeft niet, ze wéét 't".
Dode
stukken
De
muziek van 'Alegría' (Blijheid) is niet onder één
hoedje te vangen. Er is de basis van Shorters kwartet met
pianist Danilo Perez, maar ook Brad Mehldau speelt, saxofonist
Chris Potter, plus een groot orkest. Voortdurend veranderen
kleur en ritme, het speelt tussen structuren en complete
vrijheid, er wordt geïmproviseerd over een twaalfde
eeuws koraal, Villa Lobos' Bachianas Brasileiras no. 5 wordt
geïnterpreteerd, plus een oud flamencolied uit de jaren
dertig, 'Vendiendo Alegría', dat uiteindelijk voor
de cd-titel zorgt. Shorter wilde niet met een vast orkest
werken, zocht zijn musici één voor één
uit, en schreef de arrangementen voor alle instrumenten.
"Nee, geen assistent, geen kopiïst, dan zie je
allemaal fouten terug. Ik wil zelf verantwoordelijk zijn".Over
de muziek: "Ik wil dat het levend klinkt, met kleur,
intensiteit en met een bedoeling. Wat ik doe is oppassen
voor de 'dead zone', voor dode stukken. As ik ontdek dat
er te weinig gebeurt, neem ik m'n lancet en ga ik opereren.
Als een chirurg". Hij doet voor hoe hij maten wegknipt
uit alle partituren, nieuwe overgangen maakt, ze inplakt
en weer samenvoegt. Hij grijnst. "Dan kom ik bij de
dirigent en die is dan perplex: 'Je hebt alles veranderd".
Shorter lacht, met een hees, krakend geluid.
Cherokee-Indiaanse
Zijn
compositie 'Sacajawea' begint als een boogaloo en eindigt
in een compleet vrije vlucht van de solisten. "Sacajawea"
vertelt Shorter "was een Amerikaanse Indiaanse. Een
gids die de ontdekkers Lewis en Clark de passage van midden-Amerika
naar Noorwest Amerika heeft helpen vinden. Ze staat op een
Amerikaanse munt die in het jaar 2000 is uitgegeven. Met
een 'papoose'(baby) op haar rug. In dat jaar kreeg ik een
brief van een nicht van me die ik helemaal niet kende. Ze
stuurde me een boek met het verhaal van mijn familie. Dat
gaat terug tot 1857. En daar ontdek ik dat mijn vaders vader
getrouwd was met een Cherokee Indiaanse, met de naam Sanny.
Mijn vader is de grootste in de familie, gespierd. Hij was
arbeider in de staalindustrie, een filmster-type, een soort
Tyrone Power. Ik heb me altijd afgevraagd waarom ik zo klein
was. Dat Indiaanse blijkbaar".
Hij lacht weer en is op een verrassende manier opeens volkomen
geabsorbeerd door het verleden. En begint een relaas waar
je mond bij open valt van verbazing. Alle namen van lang,
lang geleden, weet hij precies. Die van mede-leerlingen,
leraren, van muziekstukken die hij als jongen hoorde.
Moeilijke
jongens
"Mijn
moeder beschermde me altijd als ik klarinet studeerde. Dan
kwam op zaterdag de familie langs en was het: 'Kan die knul
niet even sigaretten voor ons gaan halen?' 'Nee, Wayne studeert,
die deur blijft dicht, ik ga wel'.". Muziek kwam op
een merkwaardige manier in Shorters leven. Op school spijbelde
hij nog wel eens. "Ik zat vaak in het bioscooptheater
waar je ook een live show had. Ik had zoveel lessen gemist
dat ik bij een muziekleraar werd gezet. Een strenge disciplinaire
man. Ze hadden me naar een instituut voor moeilijke jongens
kunnen sturen. Maar als straf moest ik naar de muziekklas.
Om me bang te maken. Maar daar is alles beginnen te gebeuren.
M'n leraar heette Achilles d'Amico. 'Toscanini' noemden
we hem fluisterend. Hij had drie platen op z'n lessenaar
en hij wilde ons laten weten wáár volgens
hem de muziek zich in de toekomst heen zou bewegen. De eerste
was van zangeres Yma Sumac, die vrouw met een stem van zeven
octaven, met wie hij het exotische, het latijnse bedoelde.
Daarnaast had hij Strawinsky's 'Sacre du printemps', het
hedendaags-klassieke. En de derde plaat was Charlie Parker".
The
Make-Believe Bar Room
De
jonge Wayne Shorter had toen net kennis gemaakt met Parker.
Thuis, hij weet nog in welk radioprogramma en welke programmamaker.
'Het heette The Make-believe Bar Room, de disc jockey was
Martin Block en hij draaide meestal Frank Sinatra en Bing
Crosby. Mijn vader luisterde er graag naar als hij uit de
fabriek terugkwam. Op een dag zegt die Martin Block: 'Deze
week iets heel anders. A new wave of music is hitting the
streets. En die komt uit New York. Ze noemen 't bebop'.
En hij speelde tussen half acht en half tien muziek die
ik nog nooit gehoord had". Shorter zingt, tada tada
tada. " 'In walked Bud', en 'Off minor' van Thelonious
Monk. Dat was een nieuwe wereld. Charlie Parker, Dizzy Gillespie.
Mijn broer en ik zeiden: hééé. Het
was niet alleen de muziek die ons pakte. Het was of we opeens
iets voor ons zelf hadden. Of we een eigen vlag kregen die
we mee konden dragen. Wij, zwarte Amerikanen, konden iets
dat niemand anders deed. Dit was een sociale revolutie".
Hij vertelt hoe z'n leraren geld bij elkaar brachten voor
een verdere muziek-opleiding. Hoe hij als vijftienjarige
tussen veel oudere leerlingen komt. Meteen als voorbeeld
gesteld wordt. Hoe hij met twee medeleerlingen op school
in de wandelgang The Big Three wordt genoemd. Hij herinnert
zich zijn muziekschool-leraar Mr. Van Bodegraven ('Ven Boadugreeven')
die ontdekt dat Shorter door een administratieve fout die
niet meer te herstellen is 1 punt te kort komt voor een
beurs voor de muziekafdeling van de universiteit van New
York. "Hij roept me bij zich, in die kamer met al die
instrumenten. Ik moest de fagot pakken. De klarinet. De
sax. Zelfs de tuba moest ik spelen. Ik kreeg in twintig
minuten een test waar je anders weken over doet. En hij
zei: je hebt je punt, je krijgt je beurs". Hij herinnert
zich z'n eerste compositie 'La vie et la mort', zeer ambitieus
geschreven voor twee orgels. "We hadden zangles op
de universiteit, ik zong bariton, of bas-bariton. We zongen
een koraal en de muziek daarvan heb ik meegenomen. Mocht
niet, eigenlijk gestolen dus. Ik vond 't prachtig, heb die
muziek van 1952 af bewaard, tot ik het ergens in 1997 kwijt
ben geraakt. Daarom staat dat stuk nu ook op 'Alegría'."
Veel van Wayne Shorters composities zijn beroemd geworden.
'Juju', 'Footprints'; 'Nefertiti', Tears', 'ESP', 'Pinocchio'.
Jazz klassiekers. Maar hij staat er niet bij stil. Zeventig
jaar en hij ontdekt nog altijd, mengt klanken en stijlen
als iemand die voortdurend op ontdekkingsreis is. Altijd
origineel. Hij vertelt over dat Japanse concert waar iemand
zei: 'Jonge mensen houden van u omdat ze verrast willen
worden, niet willen weten wat er gaat gebeuren'. "Dat
is originaliteit", zegt hij. "Het wordt altijd
anders daar in dat concert. Je kan het onverwachte niet
repeteren. Misschien kom je met je medemusici in een treinbotsing
terecht. Misschien houd je er littekens aan over. Die risico's
moet je blijven nemen. Dat maakt 't de moeite waard".
Interview
gemaakt t.g.v. optreden van Wayne Shorter (tenor- en sopraansax),
Danilo Perez (piano), John Pattitucci (bas), Brian Blade
(drums); Concertgebouw, Amsterdam. Op 26 maart 2004
JOHN SCOFIELD - door Bert Jansma
'Jazz
is improviseren, net als het leven'
Al
wie twijfelt over de vraag of jazz leeft dan wel dood is,
welke kant jazz op moet, of er nog 'standards' gespeeld
moeten worden, moest maar eens met John Scofield gaan praten.
Scofield, misschien de meest flexibele gitarist die er in
de hedendaags muziek rondloopt. Funk, fusion, jazzrock,
blues, alles speelt hij. Met de oude rotten van toen, met
jonge honden van vandaag.
John Scofield aarzelt even. En zegt dan: "Weet je,
die vraag maakt me gek. Als ik 'm op één bepaald
manier benader, heb ik dít antwoord. Benader ik 'm
op een andere manier, dan heb ik een ander. Alles wat ik
weet, is wat voor mijzélf geldt. Het jazz-idee is
de hele wereld over gegaan, heeft zichzelf in allerlei vormen
gemanifesteerd. Van free jazz, jazzfusion tot jazzinvloed
op klassieke muziek. We beïnvloeden elkaar voortdurend.
En dingen veranderen. Misschien is 'straight ahead jazz'
zoals wij die kennen, niet meer iets voor jonge mensen van
vandaag. Het kan me eigenlijk niet schelen. I love jazz.
Ik oefen nog altijd op 'Perdido'. En ik vind er nog altijd
nieuwe dingen in. Een oude jazztrompettist als Roy Eldridge,
ik weet zeker dat hij vandaag álles had kunnen spelen.
Er zijn zoveel mensen geweest die zoveel dingen hebben gespeeld
in de geschiedenis van de jazz. En ik weet zeker dat alles
wat ik speel, al eens door iemand anders gespeeld is. Maakt
niet uit. Het idee om de oude 'standards' te spelen blijft
nieuw en fris voor mij. Ik ken jazzmusici die ouder zijn
dan ik en die zeggen: ik kan dat écht niet meer,
die alleen nieuwe of vrijere muziek zoeken. Ik niet. Ik
speel ze. Maar niet altijd. Ik speel ook fusion music, daar
houd ik óók van. Natuurlijk, de jazz is de
laatste zes jaar veranderd. Stijlen komen en gaan. En ze
zullen weer terugkomen."
'My
Ideal'
Een
herinnering aan Scofield, op een publiciteitstournee, geen
concerten, in het Amsterdamse Amstelhotel. Naast de bank
op zijn hotelkamer zijn electrische gitaar. Unplugged. De
fotograaf komt en hij zit er op te spelen. Uit de zachte
klanken doemt een ouwetje op, 'My ideal'. Scofield grijnst:
"Ik ben gek op dat stuk en dergelijke 'standards'.
Als ik in m'n eentje op reis ben, gaat de gitaar altijd
mee, en ik speel ze voor mezelf." Dezelfde Scofield
kan je even later uit z'n dak horen gaan, wel 'plugged',
in een jazz-rockconcert. Tekenend. Een muzikant die niet
van grenzen houdt.
Op het North Sea Jazz festival is hij met een trio met bassist
Steve Swallow en drummer Bill Stewart. Ze hebben een cd
gemaakt 'En route', live in de Blue Note in New York opgenomen.
Veel werk van Scofield zelf, maar ook een Burt Bacharach-song
als 'Alfie', en een bijna quiz-achtige stuk van Swallow,
'Name that tune'. Scofield lacht: "Steve heeft het
geschreven op de akkoorden van 'Perdido'. Ik vraag het publiek
wel eens: wie weet waar dit vandaan komt. Niemand heeft
't nog geraden."
Zijn platenmaatschappij had liever niet gezien dat de cd
er was gekomen. Beter iets uit de studio, geacheveerd, gerepareerd,
gearrangeerd. Scofield lacht: "Yeah, it's real jazz".
En na een tijdje: 'Misschien wel het beste dat ik gedaan
heb. Weet je, wanneer je een paar sets hebt gespeeld, gebeurt
er iets. Je vergeet de microfoon, je bent elders. In de
studio stop je na iedere 'take': Wat gaan we met het einde
van dat stuk doen? Je maakt je zorgen over details. Hier
hebben we dat niet. Het staat er op met fouten en al. Ik
denk dat 't heel wat beter is dan andere dingen die ik gedaan
heb."
Grote
Broer Swallow
'Sco',
zoals insiders hem noemen, is een genereus mens. Hij vergeet
de naam van z'n interviewer niet, weet nog waar we het vorige
keer over gehad hebben. Een klein wonder gezien de vloedgolf
van schrijvende pers die hij over zich heen krijgt. En steekt
ongevraagd en gemeend de loftrompet over zijn mede-musici.
Bassist Steve Swallow: "Hij is de eerste met wie ik
heel veel heb gespeeld toen ik een jongen van 22 was en
in Berklee studeerde. Toen ik later in New York bij Gary
Burton speelde, was Steve de bassist. Hij is gek op gitaar
en dat kan je horen aan de manier waarop hij bas speelt.
Moet je die solo horen in 'Alfie'! Hij heeft me wegwijs
gemaakt en hij is echt een Grote Broer voor me geworden".
Drummer Bill Stewart. "Oh man, this cat!" zucht
Scofield bijan wanhopig. "Hij hoort alles, z'n 'time'
is metronomisch zonder koud te zijn. Hij weet wanneer hij
je moet 'pushen' en wanneer niet. Ik ben verslaafd aan dat
soort drummers. Ze maken jazz zoveel beter: de Jack de Johnettes,
de Roy Haynes' en natuurlijk wijlen Elvin Jones, ik denk
niet dat er ooit iemand als hij geweest is."
Op 'Name that tune' speelt Scofield met zijn hoekig-springende
stijl een solo in ongelooflijk tempo. Hij lacht er zelf
om. "Ja man, ik kán helemaal niet snel spelen.
Toen ik het terughoorde sloeg ik zelf achterover. We wilden
net zo snel als Miles Davis spelen op 'Four and more', als
Tony Williams, als in 'Cherokee', als Bird. We probeerden
het elke avond, en uiteindelijk deden m'n vingers het vanzelf.
Bill Stewart drumt daar met zoveel 'power', ik móest
'm wel bijhouden. Je wéét niet eens dat je
't doet. Als een soort athletiek"
'
Jazz is hard'
We
komen terug op jazz, jazzopleiding, jazztoekomst. "Jazz
is hard", zegt hij wanneer een muzikant hem ongevraagd
aan tafel een cd-tje komt geven. Het gebeurt honderden malen
tijdens een tournee. Hij zal luisteren, belooft hij, maar
er over corresponderen, nee, daar ontbreekt de tijd voor.
Hij kijkt er pijnlijk bij, en vraagt me de naam van de muzikant
in kwestie liever niet te noemen. "'Help 'm out man',
geef ze aandacht", adviseert hij deze journalist. Hij
geeft zelf masterclasses op music colleges en conservatoria.
Hij begrijpt dat daar vaak de klassieke jazz wordt onderwezen.
"Je kan niet veel anders", schokschoudert hij.
"Hoe moet je iemand leren 'out' te spelen (noten die
buiten het akoord vallen. red). Mensen vragen me dat altijd:
hoe speel je 'outside the changes'? Ik weet 't zelf niet.
Je kan de bop changes (de substituutakkoorden in de bebop.
red) veel gemakkelijker onderwijzen. Je hebt D mineur en
je kan laten zien welke noten wel of niet werken."
Maar, voegt hij er onmiddellijk aan toe: "Regels zijn
gevaarlijk, man."
John Scofield maakt z'n eigen regels. Hij maakt wel uit
wát hij speelt, en hoe hij speelt. Jazz, fusion,
zíjn muziek. "Hoe kan jazz nu dood zijn,"
zegt hij nog eens. "Jazz gaat over improviseren. Wat
is er nog belangrijker? Léven is improviseren. Hoe
kan jazz dan dood zijn?"
Interview
gemaakt t.g.v. Scofields optreden op het North Sera Jazz
festival 2004.
Alle
foto's ter beschikking gesteld door jazzfotograaf Jos.L.
Knaepen