BRON:
NJA
Bulletin nr. 25, september 1997 - Auteur: Fred Dubiez -
Photo's: Rene Laanen
Rob Madna was vele jaren actief op de Nederlandse 'scene'
als pianist, componist-arrangeur, orkestleider en docent.
Er is tot nu toe niet veel over hem gepubliceerd en dat
komt mede doordat hij zich, buiten zijn directe relaties
tot de muziek, heel bewust niet in andere zin heeft willen
profileren. Voor dit artikel is gebruik gemaakt van een
interview gemaakt op 4 maart 1997, dat in zeer beknopte
vorm de basis was voor het programma 'De Jazzbende', dat
door de Concertzender werd uitgezonden op dinsdag 15 april
1997.
Het interview vond plaats op dinsdagmiddag 4 maart 1997
in Rob Madna's huis in Berkel Rodenrijs. Pril begin
Tolé Johannes Hendricus 'Rob' Madna werd op 8 juni
1931 in Den Haag geboren als zoon van een Indonesische vader
en een Nederlandse moeder. Madna senior, geboren in de Javaanse
plaats Maos, in de buurt van Malang, kwam in 1916 met zijn
pleegouders naar Nederland. Mede door zijn werk in de Nederlandse
horeca legde hij veel contacten en had dan ook heel wat
Nederlandse vrienden en kennissen. Hij speelde piano en
viool; soms thuis met vrienden, waaronder pianist Cees Schouten.
Hij werkte jarenlang in het bekende Indische restaurant
'Waroong Djawa' op Scheveningen. Vader Madna stierf in 1992
op 96-jarige leeftijd. Rob Madna denkt dat hij van het 'Aziatische'
van zijn vader op latere leeftijd vooral het berustende
en het vermogen tot relativeren heeft meegekregen, daar
zijn moeder tamelijk impulsief was. Zij was afkomstig uit
Den Haag en was huisvrouw.
Ze overleed in 1988. Zij had voor haar zoon een opleiding
op academisch niveau voor ogen en bepaald geen carriere
in de muziek. De gitaar was Rob Madna's eerste confrontatie
met een instrument, simpelweg omdat die in huis was. Daar
er thuis ook een piano was is hij daarop gaan experimenteren
toen hij tenslotte de belangstelling voor de gitaar verloor.
Hij heeft zich nooit met zaken als het studeren van toonladders
beziggehouden en heeft 'alleen maar zitten spelen' en geprobeerd
weer te geven wat hij op de plaat hoorde; zoiets als nadoen
wat hij voetballers zag doen bij zijn club H.B.S. Je moet
jazzmuziek leren zoals een kind leert praten, is zijn mening.
De eerste kennismaking met jazz was via platen van zijn
vier jaar oudere zuster, die hij grijs draaide. Dat waren
onder meer opnamen van Teddy Wilson, Ella Fitzgerald en
ook Gershwin's 'Porgy and Bess'. Op elfjarige leeftijd al
ging hij in 1942 in het (nu niet meer bestaande) Gebouw
K&W in Den Haag naar de Ramblers luisteren, samen met
de toen dertienjarige Jerry van Rooyen, die hij van de lagere
school kende. Eerste stappen Rob Madna's eerste optreden was in 1947 bij een club
van Nederlandse militairen in Den Haag. Hij was toen zestien
jaar. Rond zijn zeventiende jaar werd hij protege van Rob
Pronk en Jerry van Rooyen. Hij moest wel eens invallen
an de piano wanneer Rob
Pronk als derde trompet aan het ensemble werd toegevoegd.Toen
ook realiseerde hij zich voor het eerst dat er zoiets bestond
als aanduidingen voor de accoorden (die hij overigens wel
al speelde) en dacht: dat moet ik leren! Pas op zijn 43ste
echter werd hij met de neus op de feiten gedrukt waar hjet
theorie betreft, toen hij, (in 1973) een studenten-big band
leidde in Singer (Laren). Pianist Henk Meutgeert, die op
een stuk geen solo wist te spelen, vroeg Rob het hem voor
te doen. Henk kon alles wat Rob deed keurig analyseren en
benoemen, maar Rob moest bekennen dat hij 'eigenlijk niet
wist wat hij deed.' Dit gaf uiteraard aanleiding tot enig
ongeloof. Eigenlijk paste Madna alleen maar toe wat hij
van Parker en Coltrane had gehoord. Op dat moment achtte
hij de tijd er dan ook nog niet rijp voor toen hem gevraagd
werd muziek te gaan doceren. Jerry van Rooyen stuurde hem
al in 1965 een brief uit Berlijn waarin hij opmerkte: '
je moet eens gaan schrijven, en gebruik je fantasie maar,
je hebt al een heleboel gehoord.' Nu doet hij het mede met
de computer en schrijft zelfs arrangementen voor het Metropole
orkest zonder al teveel ervaring met het schrijven voor
'strings'. Wel luisterde hij vroeger veel naar Sinatra en
de hem bege-leidende orkesten onder leiding van uitstekende
arrangeurs als Nelson Riddle. Uit het voorafgaande hebben
we ongetwijfeld begrepen dat Rob Madna volledig autodidact
is. Hij vindt zichzelf 'moeilijk onderwijsbaar' en wil,
ook nu nog, het liefst zichzelf alles leren; door waar te
nemen en daaruit conclusies te trekken. Zo ging het ook
met wiskunde, arrangeren en trompet spelen. De muziek is
in eerste instantie 'via de oren' binnengekomen. De school Mede door Rob Madna's interesse voor de muziek ging
het op de HBS niet altijd als wenselijk was. Daarnaast ging
zijn bijzondere interesse echter uit naar wiskunde, met
het gevolg dat hij daarin in de tweede klas al bijles ging
geven aan andere leerlingen. Hij wilde graag leraar wiskunde
worden en koos daarom voor dit beroep. Daarbij trok hem
het leven als beroepsmuzikant niet bepaald. Hij maakte deze
keuze dus zonder veel problemen en hield dit vijfentwintig
jaar lang vol. De laatste vier jaar was hij ook conrector.
Een leerzame periode, want in deze functie moesten er tevens
beslissingen met verderstrekkende consequenties genomen
worden, die hij niet altijd aan anderen kon overlaten, om
zichzelf in het 'droomwereldje' van de muziek op te houden.
Het werd hem duidelijk dat verantwoordelijkheid nemen en
problemen oplossen heel leerzaam kunnen zijn. Tevens ontdekte
hij, doordat hij voor de baan van conrector werd gevraagd,
dat anderen meer in hem zagen dan hij zelf. Een ervaring
die velen bekend zal voorkomen. Hij mocht de functie overigens
niet combineren met ander werk en kon daarom het doceren
aan het conservatorium in Rotterdam, waar hij enige uren
per week les gaf, niet voortzetten. Als leraar startte Rob
Madna aan een ULO in Rotterdam, wel 'De Parel van Zuid'
genoemd en vervolgens bij de Hugo De Groot Scholengemeenschap
waarin de ULO opging en waaraan het Charlois-Lyceum verbonden
was. Over zijn bezigheden met betrekking tot de jazz wilde
hij met de leerlingen niet spreken, maar het hielp wel bij
het 'orde houden', want een 'hippe' leraar dwingt uiteraard
respect af.
Rob's vrouw: Astrid
De muziek Referende aan de stijl van zijn sextet uit 1951, dat
werd opgenomen in de legendarische Haagse Lumirex Studio
van Dolf Dienske en waarvan een stuk werd gedraaid als opening
van het radio-programma, merkte Rob Madna op dat inderdaad
Tristano's muziek veel invloed op hem uitoefende en dat
pas later de invloed van mensen als Horace Silver merkbaar
werd. Over tenorsaxofonist Mario Heymann, een van de leden
van het sextet, herinnert hij zich dat deze uit een oude
stijlgroep geplukt was maar veel gevoel had voor Tristano's
toen vernieuwende en niet eenvoudig te spelen muziek. Horace
Silver was 'technisch bereikbaar', hij bleef echter niet
lang een echte favoriet. Madna ging daarna veel naar blazers
luisteren en dat moet in zijn pianospel te horen zijn. Hij
betreurt het dat hij niet eerder een blaasinstrument oppakte,
want hij begon pas op zijn veertigste met trompet. Weer
later ontdekte hij dat ook de synthesizer op een heel eigen
manier inspirerend kan zijn. Al ten tijde van 'The Birth
of the Cool' (1949-'50) werd Rob Madna gegrepen door Miles
Davis. Hem is hij blijven volgen en ook tjdens diens latere
perioden is hij een fan gebleven, waarbij ook anderen een
rol gespeeld hebben, zoals John Coltrane. Miles Davis probeerde
te praten; de trompet was slechts een 'verlenging' van zijn
gevoel, terwijl een man als Wynton Marsalis veel meer een
'echte' trompettist is in de zin van een geweldig instrumentalist.
Bij Miles Davis kon echter je fantasie een veel grotere
rol spelen. Davis was iemand die zinnen zei, die sprak met
een logische samenhang. In dit verband vergelijkt Rob Madna
muziek maken met schrijven; de ene auteur zegt het op een
andere manier dan een collega. Daarbij, als een verhaal,
moet en solo een logisch geheel zijn. Miles Davis zei dan
ook: 'zoals Orson Welles spreekt wil ik spelen.' Daar kun
je absoluut iets bij voorstellen! Ook Joe Henderson laat
zich inspireren door de vorm van literatuur. Rob Madna's
belangstelling voor de piano nam weer toe door mensen als
Herbie Hancock en Keith Jarrett, terwijl hij Bill Evans
als 'te geconstrueerd' ervoer. Wat hij steeds van andere
muzikanten heeft geleerd is de manier waarop ze de essentie
van hun muziek hoorbaar maken en noet zozeer hoe ze dit
in technische zin verwezenlijken. Een ander voorbeeld dat
hij noemt is Wayne Shorter, een man met een soort oerkracht,
die heeft getoond dat muziek op een nog weer andere manier
gespeeld kan worden.
Thad Jones en de big band-periode Nog tijdens de jaren zestig kwam wat Rob Madna zelf
noemt 'de big band-periode', met Count Basie, Oliver Nelson
en met name het Thad
Jones-Mel Lewis Jazz Orchestra. Thad Jones vroeg
hem om bij zijn orkest te komen tijdens een tournee in Europa.
Helaas moest hij dit wegens zijn leraarschap afslaan. Ook
op het verzoek om arrangementen voor de band te schrijven
ging hij niet in, omdat hij vond dat zijn manier van schrijven
te dicht bij het idioom van Thad Jones zelf lag, 'en dan
minder!' Dit laatste tot grote hilariteit van Thad\Jones,
die Rob Madna had gehoord toen hij als gast bij de Skynasters
speelde. De uitnodiging van Thad Jones zegt wel iets over
Madna's kwaliteiten, zeker wanneer je je realiseert dat
er in de Thad Jones-Mel Lewis band pianisten als Roland
Hanna en Walter Norris speelden. Hij leerde van Thad Jones
ook om iemand 'credits' te geven: steeds prees hij sidemen
als Snooky Young of Jerome Richardson voor datgene waar
ze goed in waren; het was altijd positief. Amerikanen hebben
trouwens veel respect voor Europese muzikanten; ze staan
ervan versteld hoeveel men hier van hun muziek weet. 'The
only thing in Europe that is not OK are the drums' zei Dexter
Gordon indertijd. Gelukkig is dat inmiddels verleden tijd.
Een van de eerste heel muzikale drummers was Cees See. Aleen
had deze zijn goede en mindere momenten. Hij kon soms teleurstellen,
eigenlijk omdat hij erg onzeker was. Wat voor Madna heel
belangrijk was is de ritmiek die Thad Jones gebruikte. Dit
had invloed op de manier waarop hij ging begeleiden en met
name de accentuering daarvan. Ook de harmonisaties spraken
hem direkt aan. Wanneer Madna tutti schrijft is dit eigenlijk
op de manier waarop Jones dit deed, hoewel het bijzonder
bewerkelijk is. Deze had een manier om 'uitstapjes' te maken
waardoor een gotere spanning werd gecreeerd, die ook voor
instrumentalisten belangrijk kan zijn wanneer het erop aan
komt veelzeggend en niet te vlak te spelen. Jones was heel
ver met z'n harmonieen en daarbij 'typisch zwart.'
Freddie Hubbard Ook Freddie Hubbard nodigde Rob Madna uit om bij hem
te komen spelen. Naar aanleiding daarvan de volgende anecdote:
'Tijdens een optreden in De Tor in Enschede zette Freddie
Hubbard zomaar een stuk in zonder aan te geven wat
het zou worden. Hij speelde een A en ik dacht laat ik maar
G-mineur neerzetten; maar omdat het 'Old folks' was klopte
het natuurlijk niet. Ton Ouwehand (Twentsche Courant) schreef
toen dat Hubbard zo vriendelijk was Madna te helpen omdat
'die niet wist waar hij was.' Later was ik in de gelegenheid
hem dit fijntjes onder de neus te wrijven door op te merken
dat Hubbard onverwachts een stuk inzette waarvan wij niet
wisten wat het was maar dat 'een of andere idioot' toen
in de krant opmerkte...!' Diezelfde avond speelde Rob Madna
trompet en kreeg een kritiek, zo lovend als nooit tevoren. Met andere grootheden Rob Madna speelde in 1953 met drummer Wally Bishop (drummer
van Earl Hines) in de 'Tabu' in Dusseldorf. De Lionel
Hampton band speelde toen ook in die stad en Art
Farmer, die deel uitmaakte van het orkest kwam een kijkje
nemen en speelde bij die gelegenheid vijf uur mee. Ook Quincy
Jones, eveneens trompettist in de band, leerde hij daar
kennen. Met Phil
Woods (as) en Dexter
Gordon (ts) speelde hij in Persepolis in Utrecht.
Tenorist Lucky
Thompson, die hij op een workshop ontmoette, wilde
graag met Rob Madna door Europa toeren, maar alweer door
de school kon hij daarop niet ingaan. Wel zijn er radio-opnamen
bewaard gebleven van een concert door een kwartet van Lucky
Thompson met Rob Madna (pi), Ruud Jacobs (b) en
Eric Ineke
(dr) in de Rotterdamse Jazz Societeit B-14 op 22 november
1968, ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van die
club. Het lag uiteraard meer voor de hand dat Rob Madna
van tijd tot tijd de mogelijkheid geboden werd met de al
jaren in Amsterdam wonende tenorsaxofonist Don
Byas te spelen. Met een Don Byas kwartet, waar tevens
Ruud
Jacobs (b) en Wally Bishop (dr) deel van uitmaakten,
speelde hij op 26 oktober 1962 in 'De Vereniging' te Nijmegen.
Ook hiervan werden opnamen gemaakt, die werden uitgebracht
op een Philips 45-toeren EP. Op informele wijze heeft Rob
Madna ook nog gespeeld met een andere Amerikaan, de ventieltrombonist
Bob
Brookmeyer, tevens orkestleider en een uitstekend
arrangeur.
Van repetitie-band tot Dutch Jazz Orchestra In 1972 startte Rob Madna met een repetitie-orkest,
waarvoor hij ging schrijven en waarin toen nog jonge musici
speelden als Hans de Ruyter, Bart
van Lier, Erik van Lier, Jan Nypels, Jan Elsink,
George
Kaatee en René
Laanen (tb), Leo van Oostrom, Ferdinand
Povel, Dick Vennik, Rudi Brink (saxen) en Koos Seriese
(b). Toen veel van deze 'knapen' naar de Skymasters verdwenen
werd de band wat amateuristischer. Hij stopte hiermee in
1981-'82. Voor TROS
Sesjun werden opnamen van deze combinatie gemaakt
maar Madna vindt ze 'zeer onvolmaakt'. Wel is de gehele
saxofoongroep van het Dutch
Jazz Orchestra (DJO) uit dit orkest voortgekomen.
Het DJO is trouwens een orkest dat hoorbaar uit de Jones-Lewis
traditie is ontstaan. Toen Jerry van Rooyen (waarschijnlijk
in 1983) werd gevraagd om wat repetities te gaan leiden
had men voornamelijk arrangementen van Thad Jones ter beschikking.
Tijdens de jaren als leraar is Rob Madna weliswaar met muziek
doorgegaan maar, ondanks al het boven-vermelde, speelde
hij niet veel. Er waren zelfs momenten dat hij geheel wilde
ophouden en alleen maar thuis bezig zijn. Hij stopte bij
het DJO en zelfs ook bij het kwartet van tenorist Toon
Roos, dat hij eigenlijk een muzikaal hoogtepunt
vond, gezien de interactie en de ritmesectie van Frans van
der Hoeven (b) en Dre Pallemaerts (dr). Conservatorium
In 1985 kreeg Rob Madna (weer) een aanbod van het Hilversums
Conservatorium en omdat hij toen eisen kon stellen met betrekking
tot een volledige baan en bijbehorend salaris, maakte hij
definitief de overstap naar de muziek. Ook nu hij gepensioneerd
is, geeft hij nog les aan het conservatorium: als hoofdvak
piano met daarbij improvisatie en ensembles.Ook kunnen diverse
instrumentalisten en vocalisten 'uurtjes' komen om over
improvisatie te praten. 'Er zijn nu', aldus Madna, 'steeds
meer mensen die wat betreft improvisatie 'blanco' zijn,
in tegenstelling tot vroeger, toen nieuwe leerlingen wel
degelijk gevoel voor of enig inzicht in jazz hadden. Daarbij
komt dat om financiele redenen de studie-duur tot vier jaar
is teruggebracht. Er zitten in de vooropleiding mogelijk
talenten, maar deze moeten eigenlijk nog van alles leren
waar het jazz betreft. Ze zijn wel geinteresseerd in de
muziek, maar helaas stappen ze binnen bij 'boek II, hoofdstuk
6', want zover is de jazz al gevorderd. Ze horen iets wat
ze weliswaar mooi vinden, maar niet begrijpen. Net zoals
ik vroeger Charlie Parker hoorde en door hem gefascineerd
was, maar het eigenlijk niet begreep. Wel konden we toen
zelf meegroeien. Nu wordt alles 'via de ogen' (theorie)
binnengebracht en ik probeer het weer 'via de oren' te doen.
Het is als een mathematisch spelletje. Ze werken via de
toonladders enzovoort. Het is te theoretisch. Het is niet
in orde als men op school jazz moet leren. Men moet het
toch zelf doen, hoewel de school daarbij kan helpen. Soms
ontdek je bij een leerling een bepaalde aanleg; dat kan
een ritmisch gevoel zijn. In zo'n geval probeer je iemand
verder te helpen omdat het een uniek talent kan zijn. Er
zijn leerlingen bij die eruit springen, hoewel het niet
verwonderlijk is dat er nog heel wat tekortkomingen waar
te nemen zijn. Vaak zijn ze geneigd om teveel in een stuk
te willen proppen. Het zou beter zijn alle ideeen over twintig
stukken te verdelen, inplaats van ze kwijt te willen in
drie, want dan wordt het pas een lekker gebakje. Wel zijn
ze beter in staat zich te verkopen, c.q. aan de weg te timmeren,
dan de oudere generaties. Uiteraard ontstaat er wel vaak
een wisselwerking en zijn zij op hun beurt weer een inspiratie
voor de docent.' Een veelbelovende jonge trompettist waarmee
hij nog wel eens een project zou willen doen is Matthias
Bergmann,
een Duitse leerling van Ruud
Breuls;
een van de vele talentvolle jonge Duitsers die naar de Nederlandse
Conservatoria komen. Muziek-discussies Rob Madna hield zich onder meer bezig met schrijven,
waaronder een vier-delige compositie voor het Metropole
Orkest,
waarvan het eerste deel, opgedragen aan zijn trouwe beschermengel
en echtgenote, getiteld is 'Guardian Angel'. Het tweede
deel geeft weer hoe hij over muziek denkt: 'Happy go lucky',
oftewel 'geniet ervan.' Bezig blijven met muziek is zijn
devies, dat houdt de geest jong. Hoewel hij de muziek gewoon
opschrijft gebruikt hij soms, met behulp van de synthesizer,
de computer om hoorbaar te maken hoe het uiteindelijke resultaat
zal klinken. Dat Rob Madna niet sterk de neiging heeft om
zich te profileren, zoals in de aanhef van dit artikel al
even werd aangegeven, komt mede omdat hij vindt dat er onder
degenen die over jazz schrijven te veel auteurs zijn die
hun inzicht in de materie overschatten en 'dan over je schrijven
alsof ze op hetzelfde niveau staan'. Als voorbeeld noemt
hij een gesprek met collegae-leraren, die het niet waagden
met hem over zijn vak, wiskunde te discussieren en zonder
schromen bekenden dat ze er niets van wisten. Om redenen
die niet duidelijk zijn dorsten ze echter wel over muziek
een mening te ventileren, kennelijk in de veronderstelling
dat in dit geval het onderwerp niet voldoende substantie
bezit om er uberhaupt veel over te kunnen weten. Als antwoord
vertelde Madna zo iemand dan dat zijn positie ten opzichte
van de ander waar het muziek betreft te vergelijken is met
een hoogleraarschap ten opzichte van een leek. Met andere
woorden: 'schoenmaker blijf bij je leest.'De non-conformist
Thelonious Monk had om dit soort onbegrip te omzeilen zo
zijn heel persoonlijke methoden. Als leraar wil Rob Madna
wel openhartig zijn en alles vertellen van wat hij over
jazz weet. Tenslotte doceert hij aan het Hilversums Conservatorium.
Dan moet je wel de behoefte hebben om kennis over te dragen.
Jerry van Rooyen zei altijd: 'Wij zijn in een gelukkige
tijd geboren en hebben de hele ontwikkeling van de bebop
meegemaakt.
Daarom ook snappen wij de dingen en het begin beter dan
de jonge musici die het allemaal van de plaat moeten horen.'
Ook Madna denkt dat hij daarom beter weet waar z'n bronnen
zitten en dat is bij jonge musici niet altijd zo duidelijk.
Desondanks zijn met name de pianisten Rob
van Bavel,
Karel Boehlee en Michiel
Borstlap
volgens Rob Madna mensen met een enorme potentie, die hij
ziet als zijn komende opvolgers aan het Conservatorium. De platen 'Too Marvelous For Words' (J.Mercer/M.Whiting) van prive
opname -
Rob Madna Quartet- Columbia 33HP106
'First
Date' en 'The Universe' (Rob Madna) van 'Jazz behind the
Dikes'-
Rob Madna Trio - Philips 848810-2 & Philips 848811 -
2
'My
Ship' (Kurt Weill/Ira Gershwin) -van 'Ann Burton sings for
lovers and other strangers' -Ann Burton & Rob Madna
- CBS S64485
'Con
Alma' (Dizzy Gillespie) -van 'I got it bad...' -
Rob Madna Trio- Omega 555.058
'This
Funky Thing' (Rob Madna) & 'Pinocchio' (Wayne Shorter)
- van 'Update' -
Rob Madna Trio- Dutch Jazz 96001-1
'Stella
By Starlight' (Victor Young/Ned Washington) -prive opname
-
Rob Madna
Trio
Rob Madna featuring Ferdinand Povel "Broadcast Business'76"
(Daybreak/Challenge).
LIVE
AT CAFE HOPPER
- ANTWERPEN - Challenge Records
Ferdinand Povel - tenor
Rob Madna - piano
Marius Beets - bass
Eric Ineke - drums
Rob Madna heeft zich in zijn carrière
altijd laten leiden door intuïtie en zich afzijdig
gehouden van regels of verwachtingen. Studiowerk of live-opnames
interesseerden hem vaak weinig, ‘snaphots’, vond hij.
Toch heeft hij zich laten verleiden tot een live solo-opname
voor de ‘Jazz at the Pinehill’. En met succes. Zijn cd
werd in 2001 nog genomineerd voor een Edison.
Als kind heeft Madna zich nooit met zaken als het studeren
van toonladders beziggehouden. "Je moet jazzmuziek
leren zoals een kind leert praten", is zijn mening.
Zijn eerste kennismaking met jazz was via platen van zijn
zus met opnamen van Teddy Wilson, Ella Fritzgerald en
ook Gershwin's ‘Porgy and Bess’. Rond zijn zeventiende
jaar werd hij protégé van Rob
Pronk en Jerry van
Rooyen.